Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

i6

onder het wettelijk begrip aanneming van werk, is dus tevens beslissend voor een andere: of de principaal al of niet het recht heeft de overeenkomst eenzijdig, dus tegen den wil van den architect, door opzegging te doen eindigen.

Men ziet dat de beantwoording van dergelijke vragen ook voor de praktijk van het bouwbedrijf niet zonder beteekenis is.

Gelijk gezegd zal echter, wanneer men de rechtsverhouding tusschen architect en principaal beschouwt als voortgekomen uit één enkele overeenkomst, het bezwaarlijk zijn om daarop een afdoend antwoord te geven, omdat het tengevolge van de kenmerkende eigenschappen van die veronderstelde overeenkomst vrijwel onmogelijk is deze tot één der speciale, in de wet nader omschreven typen te herleiden.

Met de arbeidsovereenkomsten, nader omschreven en geregeld in de art. 1637 e. v. B. W. heeft zij b.v. gemeen, dat van den architect inderdaad een zekere arbeidsprestatie \ wordt gevorderd. Daartegenover mist zij echter weer geheel de voor een arbeidsovereenkomst kenmerkende verhouding j van ondergeschiktheid, het dienstverband. De architect is immers niet de ondergeschikte van zijn principaal.

Wanneer de architect als ontwerper optreedt doet zijne rechtsverhouding denken aan die bij aanneming van werk, waarvoor de bijzondere regeling is gegeven in de art. 1640— 1650 B. W. Immers bij beide gaat het om een zeker te bereiken resultaat: de voor uitvoering vatbare en geschikte bouwplannen.

Daartegenover staat echter dat van een „werk" in engeren I zin, een materieele prestatie, gelijk de wetgever voor dit type vooral op het oog had, hier weer niet kan worden gesproken.

Bij de taak van den architect, met de bouwleiding belast, blijft zelfs van het kenmerkende van de overeenkomst van aanneming van werk vrijwel niets meer over. De uitvoering ! van den bouw geschiedt immers door den aannemer, waarbij de architect slechts leiding geeft en toezicht houdt.

Sluiten