Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

22

zich tot een bepaalden architect wendt, moet geacht worden diens architectonischen zin en wijze van ontwerpen te waardeeren. Tenzij vooraf aan de aesthetische beteekenis van het ontwerp bepaalde eischen waren gesteld, mag daarover later geen dispuut volgen. Dit zou m.i. ook rechtens gelden, waar deze bepaling der algemeene regelen niet uitdrukkelijk tusschen partijen was bedongen.

Tegen de eerste alinea van art. 7 heb ik echter eenig bezwaar: voorloopig- en uitvoeringsontwerp zijn m.i. naar aard en omvang zoo volkomen verschillend, dat daarvoor niet dezelfde normen kunnen worden gesteld.

Bij een opdracht voor een voorloopig ontwerp blijkt de bedoeling van den principaal meestal slechts uit enkele vage aanwijzingen — van een „programma van eischen" kan dan nog niet worden gesproken. Dit treedt pas op wanneer de architect opdracht voor het uitvoeringsontwerp heeft ontvangen. Ook de eisch van technische uitvoerbaarheid krijgt eerst dan werkelijke beteekenis.

Uitvoeringsontwerp en bestek vormen hier als 't ware een geheel en zullen in den regel het onderwerp zijn van eenzelfde overeenkomst1). Over elk van deze beide hoofdverrichtingen van den architect een korte bespreking.

HET UITVOERINGSONTWERP. AANSPRAKELIJKHEID VAN DEN ONTWERPER.

Het woord is duidelijk: een ontwerp, vatbaar om te worden uitgevoerd; dus dat eenerzijds aan de bouwplannen van den principaal bevrediging geeft, anderzijds mogelijk maakt voor den toekomstigen aannemer of uitvoerder van het bouwwerk zich een duidelijk begrip te vormen van den aard en omvang van het op te richten gebouw.

Dit is de mooiste, maar ook de moeilijkste taak van den architect. Hij beschikt bier in den regel over een groote vrijheid

*) Vergl. het bepaalde in art. 6 der Algemeene Regelen, waarbij hiervoor één enkele opdracht wordt verondersteld.

Sluiten