Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

59

Een beslissing, waarvan zou vaststaan dat ze onbillijk en partijdig was gegeven, zou dus niettemin moeten worden nagekomen.

Bevredigend is dit zeker niet. En in de laatste jaren is dan ook een zekere evolutie in de rechtspraak merkbaar, gaande in de richting van meer toezicht en meer invloed van den gewonen rechter op de gegeven bindende adviezen.

Het middel daartoe vond men in de artt. 1374 en 1375 van het Burgl. Wetboek, bepalende dat overeenkomsten naar haren aard, naar billijkheid en te goeder trouw moeten worden ten uitvoer gelegd. Het bindend advies ontleent zijn kracht aan een overeenkomst tusschen partijen en is daarvan een deel; ook voor het bindend advies geldt dus, dat het niet in strijd met de billijkheid en goede trouw kan worden ten uitvoer gelegd.

De rechtbank te Maastricht aanvaardde bij vonnis van 1 September 1921 — N. J. 1922 blz. 1100 — het beginsel dat, al is een bindend advies in het algemeen zoowel voor partijen als voor den rechter bindend, het niettemin met een beroep op kwade trouw kan worden aangetast.

Veel verder ging de Hooge Raad in zijn bekend arrest van 11 Januari 1924 — N. J. 1924 blz. 293 — door principieel te beslissen: „De artt. 1374 en 1375 B.W. zijn „ook voor het bindend advies van kracht, de uitspraak is „dus geenszins bindend als zij naar inhoud en strekking „niet redelijk en niet billijk is."

In gelijken zin een vonnis der Rechtbank Den Haag van 23 Juni 1925 — N. J. '25 blz. 1186: „Het bindend advies „betreft de uitvoering van een overeenkomst, zoodat iedere „partij, het advies onbillijk achtende, het onverbindende „daarvan voor den rechter kan staande houden."

Een vergelijking met het hiervoren genoemd vonnis der Amsterdamsche Rechtbank van 1921 toont wel duidelijk welke belangrijke wijziging er na enkele jaren in de opvattingen der rechtspraak omtrent de bindende kracht van het advies is gekomen.

Sluiten