Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

«5

Dat ook de rechterl. colleges zelf overtuigd zijn dat dergelijke beslissingen, waartoe de wet hen dwingt, vaak voor den aannemer zeer onbillijk zijn, en gaarne een middel aanwenden om de consequentie van art. 1646 B. W. te ontgaan, moge blijken uit de reeds genoemde beslissing der R'bank Amsterdam van 1 Mei 1925, N. J. '25 blz. 1022 (1646 B. W. niet toepasselijk voor verbouwing) alsook uit twee beslissingen der rechtbanken te Haarlem en 's-Gravenhage.

Bij vonnis van 1 Nov. 1921, opgenomen in W. 11249, besliste de Rechtbank Haarlem:

„Een bestek is een nauwkeurige omschrijving van het „werk en van de voorwaarden waaronder dit moet worden „uitgevoerd. Uit de omstandigheden dat de aanneming is „geschied naar een plan en begrooting volgt dus dat het „vereischte van schriftelijke bewilliging van bijwerk door „den aanbesteder niet kan worden gesteld."

Het bedoelde vonnis der Haagsche R'bank is van 25 November 1920, N. J. 1921, blz. 239.

De rechtbank deed daarbij een beroep op eene in het bestek voorkomende bepaling luidende: „wanneer gedurende de werkzaamheden eene wijziging in „het bestek wordt noodig geacht, is de aannemer verplicht „die uit te voeren; het meer en minder werk zal worden „verrekend" om daaruit te concludeeren, dat dus „zoowel „art. 1646 B. W. als § 468 der A. V. toepasselijkheid missen „en den aannemer zijne vordering voor meerder werk niet „kan worden ontzegd omdat dit niet schriftelijk was overeengekomen."

Ongetwijfeld zijn deze vonnissen te beschouwen als een sympathieke poging om den aannemer alsnog, door uitschakeling van art. 1646 B.W. recht te kunnen doen.

Daartegenover toont echter de reeds aangehaalde jurisprudentie wel voldoende dat een dergelijk streven, hoe goed bedoeld ook, slechts zelden kans van slagen zal hebben.

Onwillekeurig ben ik hier, bij de beoogde bespreking van praktijkvragen, weer naar wet en rechtspraak afgedwaald.

Sluiten