Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

91

weigering aanmerkt als een opzegging der aannemingsovereenkomst, welke hem het recht zou geven eenvoudig betaling te eischen van het reeds gemaakte werk met volledige vergoeding van alle daartoe geleverden arbeid, gemaakte kosten en zelfs winstderving over het nog resteerende gedeelte van den bouw.

Dat dit gevaar niet denkbeeldig is en de aannemer daarbij een vrij sterk standpunt kan innemen, leert een uitgebreide rechtspraak omtrent genoemd wetsartikel.

Van belang is daarbij dat de opzegging als bedoeld in art. 1647 B. W. niet uitdrukkelijk behoeft te geschieden, doch uit vermoedens en daden kan worden afgeleid, met name uit het enkele feit, dat den aannemer de toegang tot het werk werd belet.

Van belang is ook, dat gedeeltelijke opzegging ten allen tijde tijdens de uitvoering mogelijk is en aan de hand van bepaalde feiten kan worden verondersteld.

Geven de onvoorzichtige gedragingen van aanbesteder of directie tegenover den nalatigen aannemer rechtens aanleiding om zoodanige opzegging te veronderstellen, dan verplicht zij tot volledige vergoeding van arbeid, kosten en winstderving, onverschillig of de aannemer al of niet nalatig was geweest bij de uitvoering van het werk en zelfs ongeacht de vraag of de aldus te betalen vergoeding wellicht veel hooger zou zijn dan het bedrag, dat den aannemer naar den stand van het werk in verhouding tot het totaal der aanneemsom zou toekomen.

Bevestiging voor deze opvatting geven onder meer de Rechtspraak, navolgende rechterlijke uitspraken der laatste jaren: Vonnis Rechtbank R'dam, 26 Jan. 1914, N. J. 1914, blz. 437. Arrest Hof Amsterdam, 19 November 1917, N. J. 1918, blz. 846.

Arrest H. R. 8 Nov. 1918, N.J. 1918, blz. 1242. Arrest Hof Amsterdam, 5 April 1919, N. J. igig.blz. 1022. Vonnis R'bank Den Haag, 1 April 1919, W. 10468. Vonnis R'bank Dordrecht, 1 Maart 1922, N.J. 1922, blz. 690.

Sluiten