Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hij zijn tekortkoming. Als zij de macht bezat haar woorden zóó te doen doordringen, had hij zich op haar moeten werpen, genadeloos, begeerig om haar te bezitten of zich fel te zien teruggestooten, geslagen, gestriemd met minachtende verwijtingen of onverschilligwat. Niet de aarzeling, die onzekerheid verried. Volle bevrijdende daad, geen bindend zelfbeschouwen.

Nu moest hij het trachten te verwerken. Haar gezicht — wonderlijk saamgebouwd uit een veelheid van oogenblikken — leefde voor hem op in het donker van zijn blinde staren. Hij wachtte gespannen op de synthesè of het symbool waarin zich zijn ervaren zou samentrekken. Tegelijk doortoog hem een gedachte. Haar schilderen, ging hij haar morgen schilderen? Toch. Zou dat het einde zijn, het compromis, „alles"?

8

Sluiten