is toegevoegd aan je favorieten.

Alcohol en de verwaarloosde en misdadige jeugd

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

8

neer vader 's avonds thuis kwam, en ik was in huis, dan stond het raam al open, want as 't ie dronken was, dan sloeg tie je dood, mijnheer. Hij h't mijn moeder wat door de kamer getrapt en an d'r haar over de grond gesleept, dat ze gilde. Maar mijn kreeg tie niet te pakken, ik sprong door 't raam. Een keer had ie me bijna, ik kon 't raam niet open krijgen, en toen sloeg tie me met een stoel op me kop, dat ik op den grond viel, maar ik kroop nog net weg onder de bedstee. En toe wou die me pakken, maar hij viel op de vloer en kon niet meer overend komme."

Hebt gij, m.1. als kind wel eens verlangend de thuiskomst van vader afgewacht? Natuurlijk hebt ge dat. Kunt gij u nog even indenken, wat een stille blijdschap of er eiken dag weer in uw kinderhart leefde bij de gedachte: straks komt vader! Stel naast uw verlangend verwachten nu eens het angstig afwachten van dezen knaap. Is zulk een jeugd te scherp geteekend met „een verloren jeugd"?

En niet alleen in huis is het dronkemanskind de verstootene. Ook daarbuiten werpt men hem uit. Haveloos gekleed, slecht gevoed, morsig meestal en vies, de diepliggende angstoogen spiedend naar allen kant, gaat hij daarheen en „men" houdt hem in 't oog en — op een afstand! Aller hand is tegen hem — is het wonder, dat zijn hand straks zal zijn tegen allen?

De warenhuizen in onze groote steden staan open voor iedereen, hetzij kooper of kijker, maar als dronkemanskind binnensluipt schiet terstond een vriendelijke verkoopster toe met een „wat mot jij hier", en al laat hij een nieuw dubbeltje blinken in zijn smoezele hand, het helpt hem niet, met een: „ja jou ken ik, kras jij maar op," duwt men hem de deur uit.

De koopman op de markt zet zijn stem uit en bedenkt grol op grol om publiek te trekken tot zijn kramerij, maar nauw nadert dronkemanskind of het hoort zich toesnauwen „joggie, trek jij door." En dan trof hij nog een goedigen kramer, anders