is toegevoegd aan je favorieten.

De boeren en de handel

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Burgerlijk Wetboek zegt zelf in arf. 1374: „Alle wettiglijk gemaakte overeenkomsten strekken dengenen, die dezen hebben aangegaan, tot wet.... Zij moeten te goeder trouw worden ten uitvoer gebracht." En in verband hiermede is in arf. 1375 bepaald, dat overeenkomsten niet alleen verbin-r den tot datgene, wat uitdrukkelijk is overeengekomen, maar ook tot hetgeen de billijkheid meebrengt of 't gebruik of de wet vordert, tenzij men dit wederzijds uitdrukkelijk heeft uitgesloten.

Verkoopt men dus een paard, zonder over den leveringstermijn gesproken te hebben, dan mag men tóch den termijn niet overschrijden, dien erkende plaatselijke gebruiken daarvoor aanwijzen. Immers, partijen worden verondersteld, datgene bedoeld te hebben, wat algemeen bij dergelijke overeenkomsten gebruikelijk is, gelijk art. 1383 zegt: „Bestendig gebruikelijke bedingen worden geacht stilzwijgend in de overeenkomst te zijn begrepen, schoon deze er daarbij niet zijn uitgedrukt".

Een ander voorbeeld: Heeft men een paard verkocht, dat acht dagen later moet geleverd worden, en sterft het paard binnen die acht dagen door louter toeval, bijv. doordat het door den bliksel getroffen wordt, dan draagt niet de verkooper, maar de kooper de schade, tenzij uitdrukkelijk anders is overeengekomen of het plaatselijk gebruik met beider medeweten daaraan tegenovergesteld is. Want men wordt geacht bij de overeenkomst ook de verplichtingen, die de wet stelt, stilzwijgend op zich te nemen; de wet echter bepaalt in art. H96: „Indien de verkochte zaak in een zeker en bepaald voorwerp bestaat, is dezelve van het oogenblik van den koop af voor rekening (risico) van den kooper, hoewel de levering nog niet hebbe plaats gehad, en heeft de verkooper het recht, om den prijs te vorderen".

Gaan we nu na deze opmerkingen van meer algemeenen aard eens aandachtig enkele wetsbepalingen beschouwen, die op koop en verkoop betrekking hebben, en die voor ons

5

5