Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zwervelingen van een Bedouïenenstam den vorigen avond, die woeste gebaren, waarmee de knaap zijn woorden nadruk had bijgezet, maar niet vergeten.

Terwijl hij in zijn gedachten verdiept was, drong een vreemd geluid tot hem door en hij bemerkte weldra, dat de weg hem leidde naar den rand van een smal, opgehoogd pad. In de diepte bruiste een bergstroom, die met onstuimig geweld en donderend geklater voortdrong. Dit hooge pad was een natuurlijke brug van zwaren rotsgrond, die over een ontzettende kloof hing en door geen borstwering beschut was. Het geloei in de diepte en de aarzelende stap van zijn paard deden Meredith wél beseffen, welk een hachelijk punt hij bereikt had op den tocht, die buitendien reeds gevaarlijk genoeg was geweest.

Op hetzelfde oogenblik voelde hij zich door zijn gids stevig bij den rechterarm gegrepen, zoodat de hand, die zijn eenig wapen, een zakpistooltje, omvat hield, weerloos werd gemaakt.

Overtuigd, dat nu het oogenblik om weerstand te bieden gekomen was, maakte hij zich met geweldige krachtsinspanning uit den greep van zijn aanvaller los en lichtte zijn pistool in de hoogte.

„Verrader!" riep hij, „wou je mij in de diepte slingeren?"

„Ongel oovige," antwoordde Abdoul met trotsche verontwaardiging, „de wateren van den vloed zijn diep en de holen der vallei zijn stom als het graf, maar de Frank zal den bergpas ongedeerd doortrekken, want Abdoul heeft zijn woord gegeven en de zoon van Sheik Zanadien liegt nooit."

Snel was de blik, dien ze met elkaar wisselden, kort het gesprek, dat daarop volgde, maar de uitwerking daarvan was onmiddellijk merkbaar.

Voor den Engelschman was nu de goede trouw van den Arabier boven allen twijfel gesteld. De verachting, waarmee hij de aanklacht van verraad had beantwoord, de fiere taal, waarmee hij die had afgewezen, wekten in het hart van Meredith onwillekeurig achting en bewondering voor zijn jongen gids.

8

Sluiten