Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

10

II. DE KLOP OP DE DEUR.

Terwijl Maurice Tampouille in het bad zijn wilde lentegedachten trachte weg te poedelen, klopte een breed geschouderd man op de deur van het door Tampouille bewoonde huis.

Juffrouw Hortensia de Chance, de hupsche jonge conciërge deed open. Hortensia was een charmante blondine, een flinke, frissche verschijning, wier stevige ronde vormen een lust om te zien waren. Haar diep glanzende oogen, haar guitige blik, en heel de aangename indruk die haar uiterlijke bekoorlijkheden maakte, deden vaste vermoedens rijzen, dat zij allerminst een koel temparament moest hebben.

— Bent u Hortensia de Chance, de conciërge?

— Om u te dienen, mijnheer.

— Kijk eens, ik ben recherheur van politie, maar u behoeft u niet ongerust te maken. Ik moet eenige informaties van u hebben. Woont hier een zekere mijnheer Tampouille T

— Jawel, maar er is toch niets aan de hand ? Het is hier een fatsoenlijk huis en ....

— Dat geloof ik graag, antwoorde de politieman in het volle besef van zijn waardigheid. — Maar in fatsoenlijke huizen kunnen wel eens minder fatsoenlijke menschen wonen. Het gaat om een heel ernstig geval. Hebt u wel eens bemerkt of mijnheer Tampouille zich . .. eh ... afzondert met vrouwen ? . . .

— Als u zijn eigen vrouw bedoelt, zal dit wel zoo zijn, lachte Hortensia.

— Maakt u maar geen gekheid, juffrouw. De zaak is te ernstig, viel de breedgeschouderde in met barsche stem.

— Ik bedoel, ontvangt die mijnheer weieens jonge meisjes op zijn kamers? U begrijpt me wel ...

— O, mijnheer wat denkt u wel? Mijnheer Tampouille is zoon rustig en net persoon! Wat zou zoo iemand op zijn geweten kunnen hebben?

Sluiten