Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

10

scheiding van de besturen, van het valsche genootschap, zooals dat sedert 1816 bestond. Immers de hervorming werd tegengewerkt. De officièele kerk liet aan den kerkeraad geen vrijheid naar het Woord Gods en de Gereformeerde belijdenis te handelen. De kerkeraad en de gemeente konden niet anders dan partij trekken voor hun leeraar, omdat zij anders leugen en onrecht niet alleen hadden moeten aanzien, maar ook hadden moeten goedkeuren.

Men heeft er aanmerking op gemaakt dat de Acte van Afscheiding de Ned. Herv. Kerk verklaarde voor eene valsche kerk, wijl het kerkbestuur De Cock niet heeft afgezet omdat hij den Christus predikte, maar omdat hij tegen de kerkelijke verordeningen handelde. Daarom mochten, afgedacht van de vraag of de Hervormde Kerk voor valsche kerk mocht beschouwd worden, De Cock en Ulrum's gemeente zich niet afscheiden. Deze beschuldiging is niet juist. Want allereerst was het schrijven van eene voorrede in een boekje, waarin gezegd werd, dat er vele ongereformeerde liederen in het Gezangboek der kerk waren, volstrekt geen genoegzame grond voor de afzetting van een predikant, die voor de eer en het recht der Gereformeerde belijdenis opkwam. Formeel, uit Hervormd-reglementair standpunt beschouwd, is de afzetting van De Cock, zooals trouwens ook de meerderheid van de leden der Synode erkende,J) niet goed te keuren. En materiëel, van uit het oogpunt van Gods Woord en de belijdenis beschouwd, is van deze afzetting geen goeds te zeggen. Er is zelfs door de besturen van de Hervormde Kerk geen poging gewaagd om De Cock, zooals deze het verlangde, van onrecht te overtuigen. Alles was er op aangelegd om De Cock, die de waarheid durfde zeggen en voor het recht der belijdenis in de kerk opkwam, onschadelijk te maken. Geen enkele kerkelijke vergadering heeft het recht een predikant, die voor de rechten van Christus opkomt, die eischt, dat de grondslagen der kerk onwrikbaar

1) Handelingen der Synode van 1834.

Sluiten