is toegevoegd aan uw favorieten.

Leerboek van het Nederlandsche strafrecht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 251 —

oogmerk, opzet of premeditatie, dan is wederom geen deelneming mogelijk.

/. De hoofddaad moet verder voldoen aan eventueele bijkomende voorwaarden van strafwaardigheid.

Is de hoofddaad een strafbaar feit, dan is deelneming mogelijk, ook al gaat de hoofddader vrij uit, omdat in zijn persoon een grond aanwezig is, die de straf uitsluit.

Zal van accessoire deelneming sprake zijn, dan moet er, behalve een hoofddaad, ook een deelnemingshandeling zijn, in den zin als de wet aangeeft. Want niet ieder, die deelneemt aan de verwerkelijking van een rechtsfeit door een ander, is „deelnemer" in de hier bedoelde beteekenis. De deelnemingshandeling is zelf weer een strafbaar feit (in ruimen zin) en zal de dader van dit strafbaar feit, van deze deelneming, worden gestraft, dan moet ook ten aanzien van hem vaststaan, dat er niet een in zijn persoon gelegen omstandigheid is, die de straf uitsluit (indirecte rechtsfeitsverwerkelijking).

Wanneer is nu het deelnemen aan een hoofddaad deelneming in •den zin der wet, dus een strafbaar feit? Natuurlijk alleen, wanneer de handeling al die eigenschappen heeft, die noodig zijn om van een strafbaar feit te kunnen spreken. We bespreken nu hier alleen de rechtsfeitsverwerkelijking. Waardoor wordt de rechtsfeitsverwerkelijking van den deelnemer gekarakteriseerd? Het spreekt vanzelf, .dat hiervoor niet beslissend kan zijn de voltooiing (althans een stuk) van het hoofdfeit. Immers dan is er juist voltooiing, uitvoering, daderschap in strengen zin. De handeling van den deelnemer is juist niet voltooiing of uitvoering van de hoofddaad; ook niet een fragmentaire. (Hieruit is de gewichtige consequentie te trekken, dat de handeling van den deelnemer niet behoeft te beantwoorden aan de subjectieve modaliteiten van het rechtsfeit.) Het kenmerkende der deelnemingshandeling is immers hierin gelegen, dat ze op bepaalde, door de wet omschreven, wijze, de rechtsfeitsverwerkelijking van een ander voorbereiden of ondersteunen. Er wordt hier gestraft, niet omdat de deelnemers het feit plegen (centrale rechtsfeitsverwerkelijking), maar omdat zij de centrale rechtsfeitsverwerkelijking (de hoofddaad) hebben bevorderd op hunne wijze.

Terwijl in beginsel handelingen, die de rechtsfeitsverwerkelijking door een ander voorbereiden of ondersteunen, straffeloos zijn, (immers het allereerste vereischte voor een strafbaar feit — het „voltooien", „uitvoeren" ontbreekt), heeft de wet een uitzondering gemaakt voor zulke, die op bepaalde, op wettelijk omschreven Wijze, vóorbereidings- of ondersteuningshandelingen zijn.