is toegevoegd aan uw favorieten.

Leerboek van het Nederlandsche strafrecht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 267 —

feit, waarvoor de dader niet kan worden gestraft, is dus mogelijk.

2. Deelneming is dus altijd deelneming aan een strafbaar feit; en vermits deze uitlokking en medeplichtigheid een onzelfstandig karakter dragen, moet het feit, zooals het door den hoofddader is gepleegd, ook den deelnemer worden toegerekend. Zijn derhalve in den hoofddader momenten gelegen, die de strafbaarheid verhoogen, enz., dan moeten deze ook ten laste van den deelnemer komen. Deze consequentie echter wordt in de wet niet ten volle aanvaard. Integendeel de wet bepaalt met zoovele woorden, in art. 50 Sr., dat persoonlijke omstandigheden, waardoor de strafbaarheid wordt verhoogd, verminderd of uitgesloten, bij de toepassing der strafwet alleen in aanmerking komen ten aanzien van dien dader of medeplichtige, die zij persoonlijk betreffen. Voor alle deelnemers is art. 50 Sr. geschreven.

3. Al dadelijk valt op te merken, dat de wet alleen handelt over de gevallen, waarin persoonlijke omstandigheden de strafbaarheid verhoogen, verminderen of uitsluiten, niet echter zulke, die de straf bepalen.

Dit laatste is vooral het geval, als deze persoonlijke omstandigheid een „constitutief element" van het rechtsfeit is, d. w. z. een element, zonder hetwelk we niet met een, althans niet het onderhavige, rechtsfeit te doen hebben, de z.g.n. delicta propria, n.1. de ambtsdelicten, beroepsdelicten, betrekkingsdelicten; alsdan komt deze persoonlijke omstandigheid ook ten laste van den uitlokker of medeplichtige. De niet-ambtenaar, die een ambtsdelict uitlokt, is strafbaar aan uitlokking van een ambtsmisdrijf (daarentegen is uitlokking door een ambtenaar bij een niet-ambtenaar van een ambtsdelict onmogelijk, en anderzijds de mededader bij een ambtsdelict moet steeds ook ambtenaar zijn). Wie zonder praemeditatie bij iemand moord uitlokt, is strafbaar aan uitlokking van moord (de praemeditatie is hier n.1. een element, dat de strafbaarheid bepaalt1), ook al kan bij hem niet op praemeditatie worden gewezen; bij den mededader daarentegen moet de praemeditatie aanwezig zijn.

Ongetwijfeld is het niet altijd gemakkelijk uit te maken, wanneer de persoonlijke omstandigheid een omstandigheid is, die de straf verhoogt, enz., dan wel een, die de straf bepaalt. Dit blijft echter een vraag van uitlegging (b.v. eenerzijds de praemeditatie bij moord een eigên kwalificatie — en anderzijds bij mishandeling art. 301, 303 Sr.; ook de plaatsing kan voor de beantwoording onzer vraag

1) Zie echter Noyon, t. a. p., dl. I, blz. 300; anders Simons, t. a. p., dl. II, blz. 10.