is toegevoegd aan uw favorieten.

Leerboek van het Nederlandsche strafrecht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 329 —

elkaar onderscheiden? Heeft het dualisme gelijk, of het monisme? Alleen wie het dualistisch standpunt aanvaardt, is gerechtigd, het mechanisch determinisme van het psychisch determinisme te onderscheiden. O. i. is het dualisme juist en daarom moet ook met beide schakeeringen van het determinisme rekening gehouden worden.

Wij achten het (relatief) indeterminisme juist en wijzen op de volgende, voornaamste, gronden, ons daarbij zooveel mogelijk aansluitend aan den gedachtengang van Messer in zijn hierboven aangehaald geschrift.

5. Voor het bestaan van de vrijheid van den wil beroept het indeterminisme zich vooreerst op de psychologie.

a. Men wijst al dadelijk op het vrijheidsbewustzijn. Wij hebben inderdaad bij de overlegging zeer dikwijls het bewustzijn, dat wij in onze beslissing vrij zijn, dat we aan geen oorzaken onderworpen zijn, (dat we voorts zelf gevolgen te weeg brengen) m.a.w. dat we zus, maar ook zoo kunnen beslissen, (dat wij zelf deze handelingen verrichten); maar ook, dat wij ze achterwege hadden kunnen laten en een andere verrichten. Dit bewustzijn blijft ons bij ook na de beslissing en na de uitvoering.

Hiertegen is echter op te merken, dat dit vrijheidsbewustzijn met een feit is, dat volstrekt algemeen voorkomt. Maar ook al ware zulks het geval, daarmede zou hoogstens zijn gewezen op het bestaan van dit psychologisch feit, zonder dat daaruit reeds voortvloeit, dat dit gevoel beantwoordt aan een werkelijken staat van zaken. Of het vrijheidsbewustzijn meer is dan een illusie, is fnet het constateeren van het bestaan van het vrijheidsbewustzijn als zoodanig nog niet gezegd, laat staan bewezen of aannemelijk gemaakt.

b. Men wijst voorts nader op het acüvUeitsgevoel. Wij boelen, dat wij zelf het zijn, die beslissen; wij voelen ons hierbij niet passief, maar actief. Wij zijn, zoo meenen we, een kracht, die opkomende motieven kunnen versterken, oproepen, verzwakken; wijvoelen ons in staat, om in die motieven „in te grijpen", zelf te beslissen. Nu geldt hiertegen, strikt genomen, weer hetzelfde'bezwaar als tegen a is ingebracht (al mag niet onvermeld blijven, dat de nieuwste experimenteele onderzoekingen schijnen te wijzen op een factor in het willen, die langs anderen weg de objectiviteit van dit activiteitsgevoel en daarmede ook van het vrijheidsgevoel bevestigt).

c. Trouwens het onder b genoemde gevoel, dat wij zelf „beslissen", dat de wil arbiter is enz, wijst op een opvatting van den wil als een vermogen of kracht, die wel onderstelling kan zijn van de psychologie, maar toch (nog) niet door de psychologie