is toegevoegd aan uw favorieten.

Leerboek van het Nederlandsche strafrecht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 344 —

en den „gestrafte" verschillend is. Onze sympathie, bepaaldelijk ons medelijden, met den delinquent moge nog zoo sterk zijn, dit gevoel wordt tenslotte toch verzwakt door ons waardeoordeel, dat hij het leed, dat hem wordt toegevoegd, als contrabejegening voor wat hij misdeed, „verdiend" heeft in dien zin, dat hij niets anders verdient". Dit laatste ontbreekt ten eenenmale tegenover dengene, öp wien de maatregel wórdt toegepast. Ook hij, die van de noodzakelijkheid der praeventie ten aanzien van een bepaald individu overtuigd is, kan dezen zijn volle sympathie geven, maar van de gedachte aan een „verdiend" zijn van wat hij zal hebben te ondergaan, is hierbij geen sprake. Het is het bewustzijn ■ van de dira necessitas der praeventie, waaraan het individu ten offer moet vallen, waarvoor hij een offer moet brengen, het is dit bewustzijn, dat bij ons voorzit. Maar dit bewustzijn beïnvloedt in het minst niet de intensiteit van onze sympathie tegenover het slachtoffer, Het is waar, het is een offer, dat wordt afgedwongen; maar daarmede is de houding van den staat tegenover het individu niet gedisqualificeerd. Slechts volgt hieruit alleen, dat, wat we reeds, vroeger hebben in het licht gesteld, n.1. vooreerst, dat dit offer niet lichtvaardig worde afgedwongen, en alleen bij dira necessitas, maar ook, dat praeventie zelf alleen in de laatste plaats een aangelegenheid van den staat, allereerst echter een van eigen persoonlijkheid, van maatschappij en kerk is, waar geen dwang, althans geen staatsdwang heerscht.

Aan de „zedelijke idee", in dienst waarvan van Hamel de praeventie wilde stellen, kan redelijkerwijs alleen worden gedacht, als voor toepassing der maatregelen van praeventie slechts die personen in aanmerking komen, die naar gangbaar recht „delinquenten" zijn. Maar dan is terstond de grondgedachte van het praeventierecht prijsgegeven, waarin immers af moét worden afgezien van het vereischte, dat het te „bemaatregelen" individu delinquent is. Terwijl bovendien o. i. alleen vergelding tot het voorgestelde doel zal kunnen leiden.

5 Strafrecht en beveiligingsrecht hebben beide hun recht van bestaan, maar ieder heeft een eigen taak. Het beveiligingsrecht kan niet het strafrecht, het strafrecht niet het beveiligingsrecht

onmisbaar maken. a Er worde naar gestreefd om aan het strafmiddel zelf een I ! zoo groot mogelijke praeventieve werking te geven. Steeds moet

echter de straf vergelding blijven en daarom is dit streven slechts LI in zeer beperkte mate voor verwezenlijking vatbaar.