is toegevoegd aan uw favorieten.

Leerboek van het Nederlandsche strafrecht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 434 —

door den rechter beantwoord. Alleen willen we nog het volgende opmerken. De M. v. T. eischt, dat de handelingen „de uiting zijn van één ongeoorloofd besluit." Ook de H. R. huldigt deze opvatting. Dit schijnt ons onjuist toe. Immers dan zouden de verschillende handelingen hun onmiddellijken bron in één besluit moeten hebben,, wat psychologisch onhoudbaar is. Meent men, dat het ongeoorloofde besluit niet het voor iedere handeling vereischte besluit is, maar die bron, waartoe deze samenhangende feiten zijn te herleiden, dan is toch wel niet te ontkennen, dat uit deze eenheid van besluit allerminst de consequentie is te trekken, zooals de M. v. T. deed, dat nu daarom ook de handelingen gelijksoortig moeten zijn. Bedenkt men, dat de wet den eisch van eenheid van rechtsfeitsverwerkelijking: heeft laten vallen — m. i. ook de M. v. T. door haren eisch van gelijksoortigheid —, dan moet worden toegegeven, dat een misdadig; besluit aan onderscheiden handelingen, aan onderscheiden rechtsfeitsverwerkelijkingen het aanzijn kan geven (b.v. het besluit om zich te wreken kan o. a. leiden tot beleedigen met woorden of met daden, mishandelen, zaakbeschadigen door scheuren van kleeren).

Bovendien leidt de hier bestreden opvatting tot zonderlinge consequenties. Als iemand op 1, 2, 3, 4 Mei 1922 telkens de kas van zijn patroon licht, en te dier zake terecht staat, zou hij, als hij bekende het plan te hebben gehad vier malen de kas te lichten, gestraft worden overeenkomstig art 56 Sr.. Maar als hij, in de meening, dat zulk een plan zijn concrete straf zou verhoogen — en dat zou iedere leek meenen — ontkende het misdadig besluit te hebben gehad, zou hij strafbaar zijn volgens art. 57 Sr.1).

Het vereischte van een ongeoorloofd besluit schijnt ons niet gegrond toe.

14. Het 2e lid van art 56 Sr. bepaalt2), dat insgelijks slechtséén strafbepaling wordt toegepast bij schuldigverklaring aan valschheid, valsche munt of muntschennis en aan het gebruikmaken van het voorwerp ten opzichte waarvan de valschheid, valsche munt of muntschennis gepleegd is.

De bedoeling van deze regeling is niet, dat nu deze delicten een . voortgezet delict worden, maar slechts, dat zij niet onderworpen zijn aan art. 57 Sr. en dus één strafbepaling wordt toegepast

15. Intusschen blijft de vraag te beantwoorden, hoe behoort te worden beslist ten aanzien van den samengestelden eenheidsvorm,

!) Zie hiervoor Beling, t.a.p., blz. 370.

ï) Zie over de redactie van dit lid Noyon, t.a.p., dl. I, blz. 330.