is toegevoegd aan uw favorieten.

Leerboek van het Nederlandsche strafrecht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 458 —

van het gepleegde feit kennis heeft bekomen. Niet wordt gezegd, zooals soms elders, „de dag, waarop". Het is echter aan te nemen, dat hier geen inbreuk gemaakt wordt op de gewone termijnberekening en dus bedoeld wordt: de dag, waarop. Vereischt wordt, dat we kennis hebben bekomen van het gepleegde feit. Is het bekomen van kennis onmogelijk uit hoofde van krankzinnigheid, dan vangt de termijn ook niet aan, er ontstaan dan ook geen klachtrecht, wat van belang is voor het geval, dat de eene echtgenoot overspel speelt, terwijl de ander krankzinnig is.

De kennisneming moet het gepleegde feit betreffen; niet noodig is, dat die kennisneming betreft het feit, dat de dader alleen op klacht vervolgbaar is. Wordt dus op 1 Januari mijn fiets gestolen en blijkt op 3 April d. a. v. dat mijn broer dit deed, dan hebben we wel met een klachtdelict te doen, maar de termijn voor het indienen is verstreken. Ik weet op 1 Januari wel niet door wie, maar toch dat de fiets gestolen was, d. i. dat het feit gepleegd was. De termijn toch duurt drie maanden, als de gerechtigde binnen Europa, negen maanden als hij buiten Europa verblijf houdt Voor het misdrijf van art. 248 ter Sr. is deze termijn 6 en 12 maanden.

6. Voor de geldigheid der klacht wordt geëischt, dat zij in den vereischten vorm plaats grijpt (art. 13, 14 Sv.); dat zulks geschiedt binnen den vastgestelden termijn1) (deze termijn is fataal); dat ze bevat een duidelijke aanwijzing van het feit (bij relatief klachtdelict de aanwijzing van den verdachten persoon), dat ze een „wilsverklaring" inhoudt, gericht op de vervolging van het misdrijf, onverschillig of dit door een of meerdere personen is gepleegd.

In het laatste geval is dan ook niet toelaatbaar de klacht te splitsen in dien zin, dat „verklaard" zou kunnen worden tegen een of meer van deze personen geen vervolging in te stellen (wel weer, als het een relatief klachtdelict geldt).

7. De wet kent aan hem, die de klacht indiende, maar ook aan dezen alleen, de bevoegdheid toe, deze klacht in te trekken, mits die intrekking geschiedt binnen 8 dagen na den dag der indiening (art. 67 Sr.).

Bij uitzondering duurt bij overspel dit recht zoolang het onderzoek ter terechtzitting nog niet is aangevangen (art. 152 Sv.).

Na de intrekking mag de klacht niet weer opnieuw worden ingesteld.

. 8. Zoodra de klacht is ingediend, is het O. M. bevoegd de

i) Zie arr. H. R. van 4 December 1922, N. J. 1923, blz. 220.