is toegevoegd aan uw favorieten.

Leerboek van het Nederlandsche strafrecht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 496 —

1 casi di giustificazione del fatto); als zoodanig noemt art. 19 o.a. onwederstandelijk geweld (insuperabile costrizione), pathologische suggestie, algeheele goede trouw, berustend op niet te onderkennen bedrog, onbekendheid met het gesanctionneerd zijn (proibito) van het feit, als deze onbekendheid voortspruit uit overmacht (forza maggiore) of materieele rechtsdwaling of uit een niet op nalatigheid berustende handeling; voorts noodweer, wettelijk voorschrift (dispozione di legge) ambtelijk bevel (ordine obligatoria dell'autorita competente) enz..

b. Hoofdstuk II regelt de gevaarlijkheid (pericolosita). De sanctie moet binnen de door de wet aangegeven grenzen worden toegepast op den delinquent naar gelang van zijn gevaarlijkheid (art. 20). De graad van de gevaarlijkheid wordt bepaald naar den ernst en den aard van het gepleegd delict, de beslissende motieven en de persoonlijkheid van den delinquent. Art. 21 bepaalt nader, en blijkens de M. v. T. enuntiatief, in welke gevallen (er worden 17 gevallen genoemd) er sprake is van grootere en in welke er (er worden er 8 genoemd) sprake is van geringere gevaarlijkheid.

c. Hoofdstuk III behandelt de verantwoordelijkheid voor den samenloop en de recidivisten (di piü delitti e dei recidivi). Volgens art. 23 moet op hem, die voor meerdere delicten verantwoordelijk is, de sanctie, voor het zwaarste delict gegeven, worden toegepast; de overige delicten gelden als omstandigheden van grootere gevaarlijkheid (art. 75).

Voor herhaling is één voordelict voldoende (zie art. 24, '25).

d. Hoofdstuk IV handelt over gewoontemisdadigers (dei delinquenti abituali).

Gewoontemisdadiger is hij, die dader of deelnemer is aan twee of meer, op verschillende tijden en onafhankelijk van elkaar gepleegde delicten, waarvan de sanctie luidt op afzondering (segregratione) en voorts hij, die in deze delicten recidivist is — echter slechts dan, als de natuur en de omstandigheden (modalita) van het gepleegde delict of de determineerende motieven of de persoonlijke irf

omstandigheden of zijn levenswijze (il genere di vita tenuto) een blijvende neiging tot het delict openbaren (art. 27).

Art. 28—31 regelen de straffen voor de gewoontemisdadigers, die inderdaad zeer streng zijn, maar van uit het gevaarlijkheidsstandpunt zeer wel verklaarbaar zijn.

e. Hoofdstuk V handelt over de geesteszwakke delinquenten {dei delinquent! infermi di menti).

Een onderscheiding tusschen toerekeningsvatbare en niet toe-