is toegevoegd aan uw favorieten.

Leerboek van het Nederlandsche strafrecht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 506 —

misdadigers is van fundamenteele beteekenis zoowel in theoretisch als in praktisch opzicht; zij moet daarom dienen als grondslag voor de bepalingen der strafwetgeving.

e. Daar strafrechtspleging en strafvoltrekking hetzelfde doel dienen, het strafrechtelijk vonnis dus eerst door de voltrekking der straf inhoud en beteekenis erlangt, is de scheiding van de strafrechtspleging, zooals in het huidige strafrecht gebruikelijk is, onjuist, en in strijd met het doel.

/. De vrijheidstraffen nemen in ons straffenstelsel terecht de eerste plaats in, daarom zal de vereeniging aan de pogingen tot verbetering der gevangenissen en verwante inrichtingen hare bijzondere aandacht schenken.

g. De vereeniging houdt het echter voor mogelijk en gewenscht de korte vrijheidsstraffen door andere strafmiddelen van gelijke kracht te vervangen.

h. Bij langdurige vrijheidsstraffen dient de bepaling van den strafduur niet alleen afhankelijk te worden gemaakt van wat in de procedure is gebleken, maar ook van de resultaten der strafvoltrekking.

i. Onverbeterlijke gewoontemisdadigers moet de strafwetgeving voor zoo lang mogelijk onschadelijk maken, ook dan, als het betreft herhaaldelijk recidieve van geringere delicten (kleinere Vergehen).

Deze statuten waren met een uitnoodiging tot toetreding gezonden naar verschillende personen. Onder deze waren ook L u c c h i n i en B i r k m e ij e r, die ieder voor zich weigerden tot toetreding.

3. Von Liszt heeft ter toelichting van deze statuten o. m. [geschreven, dat het doel der vereeniging uitsluitend praktisch was, Bi.1. de misdadigheid doelbewust bestrijden — alleen wie zich 'Jiaarmede kon vereenigen (onverschillig welke strafrechtstheorie hij aanhing) kon lid worden; dat dit alleen mogelijk was met behulp van de crimineele sociologie en anthropologie — wie de waarde van zulke onderzoekingen loochende kon derhalve geen lid der vereeniging worden.

Von Liszt was van oordeel, dat deze I. K V-, alhoewel blijkbaar naar het gevoelen van von Liszt vrijwel iedere beoefenaar der strafrechtswetenschap lid dezer Vereeniging zijn kon — niettemin geleid werd door de „Grundauffassung", dat het delict, als kindermoord en kindersterfte en alle overige sociaalpathologische verschijnselen, zijn diepsten wortel had in de maatschappelijke verhoudingen, die de elkaar opvolgende geslachten bepalen1).

!) Zie von Liszt, Lehrbuch, blz. 12.