is toegevoegd aan uw favorieten.

Schets van het Nederlandsche burgerlijk procesrecht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

55

De eigen wetenschap van den rechter moet een algemeene zijn, die bij elk rechter als zoodanig aanwezig zou kunnen zijn.

Vermoedens. Ten opzichte van het bewijsmiddel der vermoedens, verdient nog opmerking dat de wet in art. 1959 B W den rechter verbiedt op zulke vermoedens te letten die niet' „gewichtig, nauwkeurig bepaald en met elkander in overeenstemming zijn". Sinds het arrest van den H. R. 4 Juni 1920 (N. J. 1920 bl. 716) staat vast dat dit niet veel meer is dan een frase en niet belet dat één alleenstaand vermoeden door den rechter als voldoende wordt geapprecieerd. Daarnaast heeft de wet ook een aantal „wettelijke vermoedens" opgesteld (art. 1953 B. W.), Met vermoedens hebben wij hier echter niet te doen. Veeleer zijn dit wettelijke regelen van materieel recht, de z.g. praesumtiones juris et de jure (waartegen geen tegenbewijs is toegelaten, zoodat zij inderdaad het recht vestigen) of wel (voor zoover dit tegenbewijs wèl kan plaats vinden) regeling van het bewijsrisico, doordien degeen die zich op een wettelijk vermoeden kan beroepen het bewijsrisico op de wederpartij afwentelt. Deze vermoedens verplaatsen zooals men dat pleegt te noemen, den bewijslast Bewijs/last Om dit goed te verstaan dienen we te weten welke de rol van het bewijs in een procedure eigenlijk is Immers, rust al in het algemeen de taak om recht te spreken op den rechter en is het daartoe noodig dat hij de juistheid of onjuistheid der wederzijdsche beweringen vaststelt, zoo blijft nog onbeantwoord de vraag wat de rechter doen moet mdien hij twijfelt. „Den knoop doorhakken", ieder voor dé üeltt de som toewijzen waarover gestreden wordt, mag hii niet en de vraag voor wiens risico het zal zijn, indien een bewijs deii rechter met geleverd voorkomt, vroeg dus om een oplossing De wetgever meende die op eenvoudige wijze te kunnen geven en bepaalde m art. 1902 B.W.: „Een iegelijk die beweert eemg regt te hebben of zich op eenig feit tot staving van zijn regt of tot tegenspraak van eens anders regt beroept moet het bestaan van dat regt of van dat feit bewijzen", altijd voor zoover het ontkend is en hem geen wettelijk vermoeden (voorloopig) van die taak ontslaat. Lukt hem dit niet zoo wordt „het regt of feit als niet bestaande beschouwd. Het is zonder meer duidelijk dat elke beperking van de middelen, waarvan men zich tot bewijs mag bedienen, bij dit systeem, zeer