is toegevoegd aan uw favorieten.

Schets van het Nederlandsche burgerlijk procesrecht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK VII

ATTRIBUTIE EN DISTRIBUTIE

Voor welken rechter zal men nu hebben te dagvaarden? Deze vraag is een dubbele, nl. is de vraag allereerst voor welken soort rechter (rechtbank, hof of kantonrechter) en dan voor wawelken rechter van het? soort (voor dien te Amsterdam, Arnhem of elders). De eerste vraag is die naar de attributie of absolute bevoegdheid in tegenstelling tot de tweede, die naar de distributieve of relatieve bevoegdheid des rechters. Indien men toch een zaak brengt voor den kantonrechter, waarvan alleen de rechtbank mag kennisnemen, zoo kan hij daarover geen recht spreken maar moet zich onbevoegd verklaren, en hetzelfde is het geval wanneer de voor de Amsterdamsche rechtbank gebrachte zaak tot de competentie van die van Arnhem behoort, doch dan alléén indien de tegenpartij zich daarop beroept. De absolute competentie is dus ook absoluut in dien zin dat de rechter er ook ambtshalve rekening mee moet houden (156 Rv.), de distributieve ook relatief in dien zin dat hij dit ambtshalve niet doet. Uitzonderingen op deze stellingen zijn slechts dat de rechtbank, die door den wetgever als de gewone rechter wordt beschouwd, de zaak, die tot de bevoegdheid van den kantonrechter behoorde, mag beoordeelen indien de gedaagde op de onbevoegdheid geen beroep doet, en dat omgekeerd in de gevallen waarin speciale rechtbanken voor speciale procedures zijn aangewezen (bijv. die in den Haag voor nietigverklaring van octrooien, voor geschillen over merkmschrijvingen, enz.) andere ook ambtshalve zich onbevoegd moeten verklaren.

Zakelijke, persoonlijke en gemengde rechtsvordering. Waarvan hangt nu af welke rechter in absoluten zin bevoegd is? Zooals te verwachten is van de soort vordering die wordt ingesteld. De wet (38 en 53 R. O., 97, 126 en 129 Rv.) heeft daartoe, in aansluiting aan de historie, een indeeling van zaken gegeven in zakelijke, gemengde en persoorihjke vorde-