is toegevoegd aan uw favorieten.

Schets van het Nederlandsche burgerlijk procesrecht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

90

ander een onroerend goed gekocht en nu komt een derde om dit als zijn eigendom op te eischen. In het eerste geval heeft hij, die als eischer optreedt om zijn erfdienstbaarheid te handhaven er belang bij, zijn verkooper, den vroegeren eigenaar van zijn erf en van dat van zijn buurman, tegenover dezen in rechte te plaatsen ter handhaving zijner erfdienstbaarheid. In het tweede geval heeft de gedaagde er belang bij, zijn verkooper tegenover den eischer te plaatsen ter afwering der uitwinning. Men spreekt in die gevallen van een „oproeping in vrijwaring" door den eischer of door den gedaagde. Welnu in deze gevallen is, in de gestelde voorbeelden, de rechter der plaats, waar het erf of het goed ligt, voor het hoofdproces de bevoegde rechter. Daarentegen zou naar de algemeene leer de vroegere eigenaar of de kooper slechts kunnen worden gedagvaard voor den rechter van diens woonplaats. Maar door een oproeping in vrijwaring voor dezen zou het doel er van licht worden gemist. Daarom bepaalt art. 126 al. 14 Rv. het volgende: „in zaken van vrijwaring (zal de verweerder worden gedagvaard) voor den regter voor wien de oorspronkehjke vordering aanhangig is". De bepaling komt enkel voor in art. 126 Rv., maar, daar het in vrijwaring roepen ook mogelijk is in kantongerechtszaken, zoo geldt die bepaling ook voor deze. —

Faillissement. Een ander geval, waarin de rechter aangewezen wordt om kennis te nemen van een proces op grond, dat dit samenhangt met een rechtsverwikkeling, waarin hij reeds als rechter gemoeid was, vinden wij in art. 126 al. 13: (De verweerder zal worden gedagvaard) „in zake van faillissement of van kennelijk onvermogen x) voor de regtbank die den schuldenaar in staat van faillissement of van kennelijk onvermogen heeft verklaard en wier uitspraak regtsgevolgen

*) Kennelijk onvermogen is een uitdrukking voor den staat, veel gelijkende op dien van faillissement, waarin vóór den 1 September 1896 een niet-koopman kon worden verklaard, wanneer hij door verschillende schuldeischers tegelijk werd aangesproken, ter vereenvoudiging van de dreigende executies. De wet tot invoering van de Faillissementswet van 20 Januari 1896 n°. 9 heeft, klaarblijkelijk met het oog op nog loopende vereffeningen van dergelijke in staat van kennelijk onvermogen verklaarde boedels, artikel 126, 13e lid Rv., met geringe wijziging laten bestaan. (Zie art. 10 der aangehaalde wet). Voor de praktijk is thans de staat van kennelijk onvermogen een onbekende toestand.