is toegevoegd aan uw favorieten.

Schets van het Nederlandsche burgerlijk procesrecht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

110

op. Wel kunnen uit die beslissing nieuwe moeilijkheden ontstaan, die tot een nieuw proces (ook voor denzelfden rechter) kunnen leiden, maar de partij, die niet heeft verkregen wat zij van den rechter heeft gehoopt, kan zich bij hem met goed gevolg niet komen beklagen, behalve bij verzet na verstek. Anders kan zij, indien er termen toe zijn, in appèl komen of beroep in cassatie doen, m. a. w. zooals het volk het uitdrukt: „het hooger op zoeken". De regel is dus, dat men den rechter niet kan vragen de zaak nog eens te willen overwegen. Het „beleefd verzoek" het wel te willen doen, is echter, onder den naam „requeste civiel", in bepaald aangewezen gevallen toegelaten. Wanneer? Die gevallen zijn:

1°. indien het vonnis, door list of bedrog in de procedure gepleegd, is verkregen 1), of ook ontdekt is, dat de rechter misleid is door valsche stukken, hetzij dat de partij zelve ze als zoodanig erkent, hetzij dat de strafrechter ze valsch verklaart, of ook dat het vonnis berust op een eed, waaromtrent de strafrechter heeft beslist, dat die valsch is afgelegd *) (art. 382, 1°. en 7°. Rv.).

Deze aanleiding tot het requeste civiel geldt heel algemeen, ook wanneer het te vernietigen vonnis door een kantonrechter is gewezen, in tegenstelling tot de volgende gevallen (artt. 382, 2°., 3°., 4°., 5°., 6°., en 8°. en 383 j°. 397 Rv.), welke alleen gelden bij vonnissen van kolleges;

2°. indien men wel geen opzettelijk bedrog kan bewijzen, maar toch na het vonnis stukken van een beslissenden aard nader in handen heeft bekomen, die door toedoen van de wederpartij waren achtergehouden;

*) Het requeste civiel komt in de practijk hoogst zelden voor. Een voorbeeld kan men vinden in het Paleis van Justitie 1897 n°. 16, waar als bedrog door den rechter is aangenomen de omstandigheid, dat de gedaagde, die beweerde betaald te hebben door aanbod van gereede betaling met consignatie, en tot bewijs daarvan de exploiten had overgelegd, hangende het proces de geconsigneerde som had terug genomen (volgens art. 1444 B. W.), maar die terugname in het proces had verzwegen. Zie bovendien:

H. R. 26 Juni 1936 N. J. 36 BI. 1014 (valsche aanbrengverklaring in huwelijksvoorwaarden).

!) De wet maakt een uitzondering voor den beslissenden eed. Zelfs al blijkt het later, dat die valsch gezworen is, kan het daarop gewezen vonnis niet herroepen worden.