is toegevoegd aan uw favorieten.

Schets van het Nederlandsche burgerlijk procesrecht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

135

ook per request. De rechtbank beoordeelt vrijelijk of de motiveerende feiten daarin meegedeeld gewichtig genoeg zijn (art. 490, 492 B. W.) en gelast dan verhoor van de naaste omgeving van den patiënt.

Aan dezen moet het request en het verbaal van dat verhoor „beteekend" worden (art. 493 B.W.) en daarna wordt hij door de Rechtbank ondervraagd, hetzij ter terechtzitting, hetzij ter plaatse waar hij zich bevindt. Is de Rechtbank nog niet voldoende ingelicht zoo kan zij (ambtshalve) ook nog getuigenverhoor gelasten, anders zal zij (zegt art. 494 B. W.) dadelijk „beschikken" en ook volgens het volgend artikel een provisioneelen bewindvoerder kunnen benoemen. Tot zoover was alles normaal. Doch nu verrast ons art. 496 B. W. met de bepaling dat op het verzoek vonnis zal worden gewezen ter openbare zitting na verhoor of oproeping van partijen en op de conclusiën van het openbaar rninisterie1). Men leidt daaruit af dat na het verhoor weder een gewoon rolproces met dagvaarding van den patiënt begint, waarin hij wordt geroepen om zich op de daarin vermelde gronden onder curateele te hooren plaatsen. Dat dit noodig is, scheen minstens twijfelachtig, tot de H. R. op 17 Jan. 1918 W. 10233 besliste dat aldus bij onder curateele stelling en opheffing daarvan, waarvoor de gelijke procesgang geldt, geprocedeerd dient te worden. Instellen van appèl en cassatie geschiedt echter weer per request. Deze curateele procedure is derhalve een mengvorm, die in haar eerste deel ook rrün of meer aan de volontaire jurisdictie herinnert.

Falllissementsrequest. Of men het verzoek tot faillietverklaring als contentieus mag beschouwen is twijfelachtig. Stellig is (tenzij het een aangifte van den debiteur zelf of een vordering van den Officier van Justitie betreft) hier van een strijd tusschen twee partijen sprake die door een vonnis ter openbare zitting uitgesproken beslecht wordt, maar de behandeling geschiedt weder in raadkamer en aan de voorschriften omtrent bewijs is de rechter niet gebonden, slechts „summierlijk" moet het bestaan der vordering en van den toestand van te hebben opgehouden met betalen zijn gebleken, zal de rechter de maatregelen bevelen. Aan den anderen kant speelt de wenschelijkheid daarvan, volgens de wet, geen rol en zal de

l) Zie bl. 30 en 31.