is toegevoegd aan uw favorieten.

Schets van het Nederlandsche burgerlijk procesrecht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

193

Armenrecht. Maar ook voor den ingezetene is het voeren van een proces door de kosten-kwestie soms vrij moeilijk, te meer omdat de procureur het recht heeft om een zoogenaamd voorschot tot dekking daarvan te vragen, terwijl sedert de wet van 5 Juli 1910 (S. n°. 182) ook de griffiers bevoegd zijn, een voorschot van de belanghebbenden, hun advocaten, procureurs, raadslieden of gemachtigden, ter latere verrekening, te vragen tot dekking der vermoedelijke griffieen registratierechten. Voor den onvermogende zou de weg tot het recht daardoor soms geheel zijn afgesneden, wanneer de wetgever zich zijner niet zou hebben aangetrokken. Het strekt den Nederlanden en den eersten Hollandschen Koning tot eer, dat het wetboek van Koning Lodewijk het eerste geweest is, hetwelk eenige bepalingen daaromtrent bevat. In de praktijk werd het armenrecht het eerst opgenomen door de besluiten van den Souvereinen Vorst van 2 Februari en 27 Juni 1814 (S. van 1821, n°. 27), terwijl de tegenwoordige regeling, zooals die voorkomt in de tiende afdeeling van den zesden titel van het derde boek Rv., grootendeels gevolgd heeft het Kon. besluit van 26 Mei 1824, n°. 351). Volgens deze regeling kunnen voorloopig kosteloos procedeeren zij, die van hun onvermogen om proceskosten te dragen doen blijken, benevens, zonder nader bewijs van dat onvermogen, aimeninrichtingen, besturen van gods-en gasthuizen en de kerkbesturen der verschillende godsdienstige gezindheden binnen het rijk.

Certificaat van onvermogen. Om te doen blijken van het onvermogen, moet men in het bezit zijn van een certificaat, afgegeven door den burgemeester (of diens plaatsvervanger) der gemeente, «binnen welke de onvermogende woont, op getuigenis van wijk- of buurtmeester of van ten minste twee aan den burgemeester als geloofwaardig bekende manspersonen (art. 858 Rv.). Dit certificaat, hetwelk zelf vrij van zegelrecht is, wordt gevoegd bij een op ongezegeld papier

*) In navolging van ons wetboek werd het onderwerp ook in andere Europeesche wetgevingen geregeld en terwijl het armenrecht, zoowel bij ons als elders tot nu bijna overal tot landgenooten is beperkt, is het sedert het Verdrag Rechtsvordering en de wet van 1897 ook uitgebreid tot de onvermogenden van die staten, welke tot de internationale regeling met Nederland zijn toegetreden, nadat het vroeger reeds (bij de wet van 7 Oct. 1884, goedkeurende het tractaat van 9 Jan. 1884) tot de Italianen was uitgestrekt.