is toegevoegd aan uw favorieten.

Schets van het Nederlandsche burgerlijk procesrecht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

198

eerste plaats is de verstrekking van bewijzen van onvermogen gebonden aan voorschriften, bij algemeenen maatregel van bestuur te geven, die ten doel zullen hebben lichtvaardige afgifte te voorkomen. De bewijzen zullen o.a. gegevens moeten bevatten omtrent beroep of bedrijf, gezin, stand van inkomsten en vermogen. Bovendien zal de rechter soms inlichtingen móeten — en anders toch kunnen vragen van de belastmg-administratie alvorens het verlof om gratis te procedeeren te verleenen. Die rechter is de kantonrechter of de enkelvoudige kamer bij de Rechtbank terwijl het Hof of de Hooge Raad zelve het verlof verleenen op het rapport van één raadsheercommissaris, die met het verhoor wordt belast. Het verhoor van de tegenpartij heeft plaats op oproeping door den griffier, waartoe het verzoekschrift in duplo wordt ingeleverd, en niet meer als tot dusver door de partij, die de gratis admissie verzocht, bij exploit. Het verhoor kan, indien de tegenpartij verklaard heeft tegen inwilliging geen bezwaar te hebben, ook achterwege blijven. Daar de afgifte der bewijzen en de overlegging van eventueel andere papieren, die de rechter kan vragen, evenals het rapport der belastmg-administratie soms geruimen tijd kan vorderen, is óók bepaald, dat de verzoeker een voorloopige toelating kan verkrijgen, indien de kantonrechter of de president van het kollege van meening is dat „onverwijlden spoed" een snelle beslissing daarover eischt (met het oog op verloop van termijnen bijv.) en, hoewel de wet dit niet uitdrukkelijk zegt, dat definitieve verleening waarschijnlijk is. Hoe een en ander aannemelijk moet worden gemaakt en welke stukken bij het verzoekschrift of daarna moeten worden overgelegd is aan de prudentie van den kantonrechter of den president overgelaten.

Het verleend voorloopig verlof moet vervangen worden door het definitieve, dat dan terugwerkt, of verliest anders . zijn kracht, met uitzondering alleen van een voorloopig verlof in een référé gegeven. Uitdrukkelijk is nu ook vastgesteld dat de rechter den waarscMjnhjken omvang der kosten mede in zijn onderzoek zal betrekken; zijn die zoo gering dat een gratis admissie onnoodig voorkomt, zoo moet deze ook worden geweigerd. Deze verzwaring van de voorwaarden voor de gratis medewerking van het rechtspraakapparaat, èn van den advocaat (procureur),is de reactie op misbruik dat van de instelling der armenprocedure wel is gemaakt. Of al de