is toegevoegd aan uw favorieten.

Schets van het Nederlandsche burgerlijk procesrecht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

212

procureur kan nl. aanbiedingen en toestemmingen doen of aannemen, of iets erkennen en dan is de partij daaraan gebonden. Heeft zij den procureur daartoe speciaal en schriftelijk opdracht gegeven, dan kan zij uiteraard zich daarover niet beklagen. Is dit niet het geval dan kan dit tengevolge van misverstand of gebrek aan verantwoordehjkheidsgevoel of inzicht geschied zijn, en daartegen wil de wet de partij beschermen. Zij geeft hem het recht die verrichtingen te ontkennen, „bij eenvoudige (procureurs) acte", beteekend aan den procureur der wederpartij als aan dengeen wiens daden zij „desavoueeren" wil, met gevolg dat, indien de ontkentenis wordt bevonden terecht te zijn geschied, deze zelf en het geheele daarop volgende proces als niet geschied worden beschouwd. Dit wordt bij de beteekening den rechter dan ook verzocht, met dagvaarding van den procureur tegen een bepaalden dag en kennisgeving en in het geding roeping bij acte van procureur tot procureur aan de andere partij(en) van het

eeding-

Uiteraard wordt het hoofdgeding door dit merkwaardige incident geschorst, want zoolang men niet weet of de aangevallen verrichtingen al of niet in stand zullen blijven is verder procedeeren daarin onmogelijk. Maar om chicaneus hanteeren van dit middel te voorkomen bepaalt art. 266 dat de rechter de ontkennende partij bevelen kan het „desaveu" (zooals men deze procedure pleegt te noemen) binnen een bepaalden termijn voort te zetten, op straffe dat toch recht gedaan wordt op de processtukken zooals zij met de ontkende verrichtingen luiden, alsof die niet ontkend waren.

Deze rechter is natuurlijk die welke over de hoofdzaak te oordeelen heeft. Het desaveu kan echter voor een anderen rechter zich afspelen: het wordt nl. gebracht voor den rechter voor wien de ontkende verrichtingen plaats hadden: voor de rechtbank bijv. terwijl de zaak voor het Hof hangt. Wenscht de benadeelde echter te desavoueeren na het vonnis in eerste instantie, maar vóór hij geappelleerd heeft dan bepaalt de wet zeer inconsequent dat hij het desaveu óók bij den appelrechter aanhangig kan maken. Behalve over slechte uitvoering van de opdracht aan den procureur gegeven, kan men er ook over te klagen hebben, dat hij zonder opdracht opgetreden is. Sinds 1896 (wet-Hartog) is dit geval uitdrukkehjk daarmee