is toegevoegd aan uw favorieten.

Schets van het Nederlandsche burgerlijk procesrecht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

241

door den rechter erkend, is nu onbetwistbaar geworden, maar het is hetzelfde recht dat hij ook vroeger had. Er heeft door het vonnis geen schuldvernieuwing plaats, en dus zullen b.v. de voorrechten en hypotheken, aan de vordering oorspronkelijk verbonden, niet door het vonnis te niet gaan. Ook in andere opzichten zal zich dit feit, dat de rechtsbetrekking dezelfde bleef, doen gevoelen. Een voorbeeld uit de praktijk moge dit nader ophelderèn. Iemand had aan een ander meubelen geleend, welke op het oogenblik der leening getaxeerd waren, en vroeg die later terug en bij gebreke daarvan betaling van de gewaardeerde waarde. De rechtbank te Amsterdam veroordeelde den gedaagde nu tot teruggave van een tafel waard ar guldens, stoelen waard t)' guldens, enz. De veroordeelde, die de voorwerpen in zijn eigen woning moest teruggeven, bood de geleende voorwerpen aan; maar de deurwaarder, die gekomen was om de meubelen in ontvangst te nemen, weigerde ze te ontvangen (niet, omdat het niet de geleende goederen waren, maar omdat ze blijkbaar niet de in het vonnis aangegeven waarde hadden) en wilde overgaan tot een algemeen beslag, ter verkrijging van de waarde voor den in het gelijk gestelden eischer. Er ontstond nu een proces over de beteekenis van het veroordeelend vonnis, waarin zoowel de rechtbank als het hof te Amsterdam den in verzet tegen de executie gekomen oorspronkelijk gedaagde gelijk gaven. Er werd overwogen, dat de bruikleening, de grondslag der veroordeeling, nog altijd tusschen partijen den grondslag van het recht vormde. Het vonnis dat, ter omschrijving der voorwerpen en ter preciseering van hetgeen de veroordeelde te betalen had bij niet-oplevering, die voorwerpen had aangeduid door waardecijfers, had niet bedoeld en kon niet bedoelen, zoo beslisten die beide rechtskolleges, den leener te verplichten voor de nog voorhanden zaken dé getaxeerde waarde te geven of andere voorwerpen, welke die waarde hadden, niet enkel tusschen partijen, maar naar een (volgens anderen maatstaf berekende) objectieve schatting.

Dat het vonnis niet een nieuw recht tusschen partijen vestigt, volgt ook uit een regel, welke, behoudens weinige uitzonderingen, in het procesrecht geldt, te weten, dat de in het gelijk gestelde eischer door het vonnis zooveel doenlijk in den toestand moet worden geplaatst, waarin hij zou verkeerd hebben, indien de gedaagde dadelijk