is toegevoegd aan uw favorieten.

Schets van het Nederlandsche burgerlijk procesrecht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

243

1°. indien de uitspraak berust op een authentieken titel;

2°. indien zij berust op een onderhandsch geschrift erkend door hem, tegen wien men zich daarop beroept, of dat voor erkend wordt gehouden (zie artt. 1912 en volg. B. en W. en vergelijk het zesde hoofdstuk);

3°. indien, bij verstek, de eischer zich op een door hem overgelegd onderhandsch geschrift heeft beroepen *);

4°. wanneer het vonnis een uitvloeisel is van een veroordeeling, uitgesproken bij een vonnis, waartegen de veroordeelde niet meer kan opkomen.

Behalve in deze gevallen kan de rechter de voorloopige tenuitvoerlegging nog gelasten in die bizondere gevallen, waarin de wet het heeft toegelaten of voorgeschreven, zooals in beslissingen van den president der rechtbank in kort geding, en in die zaken, welke onder negen nommers in art. 53 Rv. zijn opgesomd en waarvan de voornaamste zijn: veroordeeling tot een bepaalde geldsom *) vooral wanneer het betreft jaargelden of uitkeeringen tot levensonderhoud, deze laatste ook wanneer die niet in geld moeten worden voldaan; voorts dringende reparatiën (te weten, van verhuurde gebouwen, of bij verdeelde zakelijke rechten op die gebouwen, b.v. vruchtgebruik naast eigendom); ontraiming van het gehuurde wanneer er geen schriftelijk bewijs van bestaande, vernieuwde of verlengde huur aanwezig is, of wanneer de huur geëindigd is en alle provisioneele toewijzingen.

Indien het vonnis of arrest niet uitvoerbaar is verklaard bij voorraad, dan kan dezelfde rechter daar niets meer aan doen, daar de taak des rechters voor het uitspreken van het eindvonnis is afgeloopen. Wel echter kan men, indien de tegenpartij in appèl gaat, opkomen tegen de niet-

l) Deze bepaling, bij de herziening van 1896 in art. 52, 2° Rv. ingelascht, berust op een ander beginsel dan bij de erkenning van handschrift in art. 1913 B. W. is gehuldigd. Het is hier een fictie, die ook leidt tot veroordeeling na verstek, t. w. dat wie behoorlijk gedagvaard wegblijft, geen verdediging heeft.

*) Deze rubriek, voldoening van bepaalde geldsommen, is bij de herziening van 1896 toegevoegd en vormt nu wel de voornaamste klasse. Oorspronkelijk bevatte n°. 7 alleen de jaargelden of uitkeeringen tot levensonderhoud. Na de toevoeging wilde men dit gedeelte van het nommer toch niet laten vervallen, deels om meer de aandacht daarop te vestigen, deels omdat de „uitkeeringen" ook in iets anders dan geld kunnen bestaan.