is toegevoegd aan je favorieten.

Schets van het Nederlandsche burgerlijk procesrecht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

245

satie is vervallen, of bij het verstek een der andere voorwaarden, waaraan de wet het verval van het verzet heeft vastgeknoopt, is vervuld.

Het is mogelijk, dat de rechter bij zijn eindvonnis over het recht van partijen niet beslist: b.v. dat hij zich onbevoegd, de dagvaarding nietig of den eischer, die te vroeg heeft geëischt, vooralsnog niet ontvankelijk verklaart. In alle gevallen echter, waarin de rechter uitspraak over het recht heeft gedaan, openbaart de kracht van gewijsde zaak buiten de executie zich daarin, dat hetgeen beslist is tusschen partijen voor waarheid en recht wordt gehouden.

De eene partij — onverschillig welke haar rol in het proces is geweest en of zij in het gelijk is gesteld of omgekeerd — kan dus later in een proces tegen dezelfde wederpartij (onverschillig of zij dezelfde rol vervult, als vroeger) feiten en omstandigheden niet bestrijden, welke bij dat in kracht van gewijsde gegaan vonnis ten aanzien van het geschil als bewezen zijn aangenomen, noch kan zij het recht der wederpartij, dat erkend is betwisten, nóch opnieuw aanspraak maken op hetzelfde recht, dat haar is ontzegd, tenzij op andere gronden en middelen 1). Geschiedt het eene of het andere, dan zal de tegenpartij kunnen weigeren den strijd te hernieuwen en door het voorstellen der zoogenaamde exceptie van gewijsde zaak, de niet-ontvankehjkheid van den eischer kunnen vragen of de niet toelaatbaarheid der nieuwe bewijsvoering kunnen verdedigen. De wetgever heeft dit hoogst belangrijke beginsel op een moeilijk verstaanbare wijze uitgedrukt of juister niet uitgedrukt. Het ligt verscholen in de artt. 1953 vlg. B. W. — Art. 1953 al. 1 B. W. omschrijft wettelijke vermoedens als vermoedens welke, uit kracht eener bizondere wetsbepaling met zekere handelingen of met zekere daadzaken verbonden zijn. En art. 1958 B. W. zegt, dat de wettelijke vermoedens dengene, in wiens voordeel zij bestaan, van alle verdere bewijzen ontslaan, en dat daar, waar de wet op grond van dit vermoeden zekere bepaalde handelingen nietig verklaart, „of den regtsingang weigert", geen tegenbewijs wordt toegelaten, tenzij krachtens uitdrukkelijke wetsbepa-

*) Wat van partijen gezegd is, geldt ook voor die personen, welke door wettelijke of andere vertegenwoordigers, voogden, echtgenooten enz. in het vroegere proces tegenover de latere tegenpartij stonden. —

17