is toegevoegd aan uw favorieten.

Schets van het Nederlandsche burgerlijk procesrecht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

283

5°. zoolang een vrijgeleide duurt, waarvan de tijd wordt bepaald door den rechter, die den te gijzelen persoon voorzich wenscht te doen verschijnen.

Van het meeste belang is wel de bepaling van art. 611 Rv. inhoudende dat de schuldenaar die buiten staat is aan de veroordeeling te voldoen van den president een verbod van (verdere) gijzeling kan vorderen, tenzij hij zich opzettelijk om deze te ontgaan in dien toestand heeft gebracht. Bedenkt men dat het middel (dat zeer duur is omdat de executeerende partij alle kosten en ook het levensonderhoud van den gegijzelde moet voorschieten, volgens de bepalingen van art. 599 e.v. Rv.) alléén zal worden toegepast als vermogensexecutie niet mogelijk is, omdat men de bestanddeelen daarvan niet kent of kan vinden, dan is het duidelijk dat deze bepaling de mogelijkheid van de gijzeling tot zeer geringe proporties heeft teruggebracht. Meestal zal de schuldenaar wel aannemelijk kunnen maken dat hij niets heeft en zal zijn schuldeischer het omgekeerde niet kunnen bewijzen.

Andere executiemiddelen. In de grootboekwet resp. de Octrooiwet vindt men nog bizondere beslagen vermeld, met een eigen regeling, die tendeele aan derden beslag, resp. onroerende goederen beslag, ten deele aan dat op roerend goed doen denken.