is toegevoegd aan uw favorieten.

Beknopte handleiding tot het Wetboek van strafvordering

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

45

Indien niet eene van deze uitzonderingen van toepassing is, behoort de kennisnerriing van strafbare feiten, waarop de Nederlandsche strafwet van toepassing is, tot de bevoegdheid van den gewonen Nederlandschen rechter. Die rechter is dan, zooals hij aangeduid wordt in onderscheiding van den rechter, die in burgerhjke zaken vonnist en de burgerlijke rechter genoemd wordt, de strafrechter. In enkele gevallen is in afwijking van dien regel de rechtspraak over strafbare feiten uitdrukkelijk aan den burgerhjken rechter opgedragen (zie hierna § 7). Is nu de Nederlandsche rechter in het algemeen bevoegd, dan blijft de vraag over, welke rechter in elk bijzonder geval van de zaak moet kennis nemen, en deze vraag sphtst zich in twee onderdeden: welke klasse onder de rechterlijke colleges is bevoegd van de zaak kennis te nemen en aan welk college van die bepaalde klasse komt die bevoegdheid toe. De eerste vraag is die der volstrekte bevoegdheid, de tweede die der betrekkelijke. De eerste vindt haar antwoord in de Wet op de Rechterlijke Organisatie, de tweede in het Wetboek van Strafvordering. Wij zullen thans achtereenvolgens beide behandelen.

§4. De volstrekte bevoegdheid.

Het hoofdbeginsel, dat de regeling der volstrekte bevoegdheid beheerscht na de invoering van het Wetboek van Strafrecht, hangt samen met de in dat wetboek aangenomen onderscheiding tusschen nnsdrijven en overtredingen. De eerste zijn als regel ter berechting opgedragen aan de arrondissementsrechtbanken, de tweede aan de kantongerechten (ar,tt. 56 en 44 R. O.). Wat de misclrijven betreft is biervan slechts uitgezonderd het misdrijf van eenvoudige strooperrj, omschreven in art. 814 Swb., dat gebracht is tot de bevoegdheid van den kantonrechter; van de overtredingen zijn bedelarij, landlooperij en het als souteneur uit de ontucht van eene vrouw voordeel trekken, strafbaar gesteld in de artikelen 432 en 433 Swb., en voorts alle overtredingen ter zake van belastingen x) ter berechting gegeven aan de

l) De feiten, strafbaar krachtens de bij art. 7 der Invoeringswet gehandhaafde bepalingen in wetten rakende zaken van rijksbelastingen, worden volgens het laatste lid van dat artikel als misdrijven beschouwd en behooren dus van zelf tot