is toegevoegd aan uw favorieten.

Beknopte handleiding tot het Wetboek van strafvordering

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

46

rechtbanken. Deze zijn voorts volgens art. 849 Sv. hd 2 ook bevoegd te oordeelen over een bij haar aangebracht strafbaar feit, dat tot de kennisneming van den kantonrechter behoort, indien de verdachte daarop geen beroep heeft gedaan.

Bij de aan de rechtbanken opgedragen rechtsmacht is nu van belang de bevoegdheid van den pohtierechter en van den kinderrechter volgens de wetten van 5 Juli 1921 Stb. 833 en 884. Volgens de bij art. 9 der eerste wet aan art. 57 R. O. toegevoegde twee nieuwe leden kunnen door de Kroon bij de rechtbanken uit één lid bestaande (enkelvoudige) kamers worden ingesteld, waarvan de vorming en- bezetting zal geschieden overeenkomstig door de Kroon te stellen regels. De rechtsmacht dier kamers wordt geregeld bij het Wetboek van Strafvordering, artt. 867 vlgg. Ingevolge deze bepalingen zijn bij K. B. van 19 Juni 1922 Stb. 416 enkelvoudige kamers ingesteld bij de rechtbanken te Amsterdam, !s-Gravenhage,N Botterdam, Alkmaar, Haarlem, Winschoten, Assen, Arnhem, 's Hertogenbosch, Maastricht en Utrecht, dus bij 11 van de 28, thans'21 rechtbanken. Volgens art. 869 Strafv. kan het rechtsgeding voor den pohtierechter worden vervolgd, indien naar het aanvankehjk oordeel van den vervolgenden ambtenaar de zaak van eenvoudigen aard is, bepaaldelijk ook ten aanzien van het bewijs en de toepassing der wet en daarin geene zwaarder hoofdstraf dan gevangenisstraf van een door den Koning te bepalen aantal maanden, ten hoogste zes, dient te worden opgelegd. Naar art. 876 is de pohtierechter niet bevoegd tot het opleggen van gevangenisstraf van meer dan een door den Koning te bepalen aantal maanden, ten hoogste

de bevoegdheid der rechtbank. De in art. 56 B. O. bedoelde overtredingen betreffen dus allereerst de provinciale en gemeentelijke belastingen, art. 28 der Invoeringswet. Voorts behooren daartoe verschillende strafbare feiten, in latere rijksbelastingwetten omschreven, zoo o.a. de feiten strafbaar volgens de wet van 16 April 1896 Stb. 92 tot regeling der personeele belasting, art. 73 dier wet, en de feiten omschreven in de artt. 121 en 123 der wet op de Inkomstenbelasting 1914, art. 124 dier wet. Daarentegen zijn bij art. 88 der wet van 27 September 1892 Stb. 227, houdende bepalingen omtrent den accijns op het zout, art. 91 der suikerwet (wet van 29 Januari 1897 Stb. 63) en art. 3 der wet van 31 December 1898 Stb. 286, houdende nadere bepalingen omtrent den accijns op gedistilleerd, de in die wetten strafbaar gestelde feiten tot misdrijven verklaard. Men zie omtrent deze quaestie bij de behandeling van het ontwerp op de bedrijfsbelasting: J. F. van Nieuwkuyk, Het fiscale strafrecht en de fiscale strafactie, bh 119—129.