is toegevoegd aan uw favorieten.

Beknopte handleiding tot het Wetboek van strafvordering

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

48

genisstraf van een door den Koning te bepalen aantal maanden, ten hoogste zes, dient te worden opgelegd of wegens de ingewikkeldheid der zaak behandeling door de meervoudige kamer de voorkeur verdient. In art. 227$ volgens de wet van 5 Juli 1921 Stb. 884 was de straf opleggende bevoegdheid van den kinderrechter gebonden aan de grens van zes maanden. Bij het ontwerp-invoeringswet, art. 85, werd de bepaling in overeenstemming gebracht met het voorschrift te dien opzichte gegeven voor den pohtierechter, art. 876 (M. v. T. bij art. 85, bl. 15). Bij het gewijzigd ontwerp van wet, art. 99, werd de tweede beperking bijgevoegd, gelegen in de ingewikkeldheid der zaak; vgl. Verslag, met antwoord van den Minister, bl. 28/24. Zie art. 100 der Invoeringswet en art. 487 Wetb. van Strafv.

De bepaling van art. 876 omtrent de beperking van de bevoegdheid bij de strafoplegging en omtrent de verwijzing naar de meervoudige kamer geldt ook voor den kinderrechter, art. 501. De beperking omtrent de op te leggen gevangenisstraf komt zoowel te pas bij de toepassing van art. 89fer als bij die van art. $9septies Wetb. v. Strafr.*).

De gerechtshoven oordeelen thans, behalve in de later te behandelen, uiterst zeldzame jurisdictiegeschillen, uitsluitend in hooger beroep; daarentegen zijn aan den Hoogen Baad volgens art. 98 B. O. in eersten aanleg onderworpen de misdrijven, bedoeld in de artt. 881—885 en in de artt. 888 en 389 van het Wetboek van Strafrecht (zeeroof en aanverwante rmsdrijven en kaapvaart), terwijl hij ook geroepen is kennis te nemen van strafbare feiten, welke anders tot de bevoegdheid van een anderen rechter behooren, doch met het oog op den persoon des daders aan zijn oordeel worden onderworpen, artt. 482 —485 Sv. Volgens art. 165 der Grondwet staan de leden der Staten-Generaal, de hoofden der ministeriëele departementen, de gouverneur-generaal van Nederlandsch-Indië en de Gouverneurs van Suriname en van Curacao, de leden van den Baad van State en de Commissarissen des Konings in de provinciën wegens ambtsmkclrijven in die betrekkingen gepleegd, ook na hun-

*) Literatuur over den kinderrechter wordt vermeld bij Wijnveldt, t.a.p., bL 85/86.