is toegevoegd aan uw favorieten.

Beknopte handleiding tot het Wetboek van strafvordering

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

85

zoek voor den officier van justitie volgens art. 238 onherroepelijk is geworden of, indien een gerechtelijk vooronderzoek niet heeft plaats gevonden, de kennisgeving van verdere vervolging of de dagvaarding ter terechtzitting is geschied, is alle belemmering van het vrije verkeer uitgesloten en geldt dus de regel van het eerste lid absoluut en zonder uitzondering.

Ook van deze vrij ingewikkelde regeling zal ter beoordeeling van hare beteekenis moeten worden afgewacht, welke toepassing zij in de practijk vinden zal. Hopenlijk zal zooveel mogelijk aan den regel worden vastgehouden en zal de belemmering van het vrije verkeer tusschen verdachte en raadsman slechts bij uitzondering geschieden1).

Behalve in de bijzondere Derde Afdeeling van den Derden Titel wordt bij onderscheidene gelegenheden in verschillende artikelen over bevoegdheden van den raadsman gehandeld. Naar art. 24 is de verdachte bevoegd zich bij alle verhooren door zijn raadsman te doen bijstaan: het tweede lid geeft dit recht aan den gegijzelden getuige—vgl. art. 225— en aan den belanghebbende bij de behandeling van een volgens art. 103 of art. 115 ingediend verzoekschrift; volgens het derde lid van art. 24 wordt de raadsman bij die verhooren in de gelegenheid gesteld de noodige opmerkingen te maken. Eene zeer belangrijke bevoegdheid is aan den raadsman gegeven bij art. 186, namelijk de bevoegdheid om bij het gerechtelijk vooronderzoek de verhooren bij te wonen zoowel van den verdachte als van de getuigen en deskundigen „voor zoover het belang van het onderzoek dit naar het oordeel van den rechter-commissaris niet verbiedt". In het oorspronkelijke regeeringsontwerp was dit recht alleen gegeven ten aanzien van de verhooren van den verdachte, art. 189; volgens het tweede lid kon de rechter-commissaris den raadsman toestaan de verhooren van getuigen en deskundigen geheel of gedeeltelijk bij te wonen 2). Naar aanleiding van de opmerkingen in het V. V., waarbij werd aangedrongen op ruimere toelating van den raadsman bij het gerechtelijk vooronderzoek, aanvaardde de Minister bij het gewijzigd ontwerp de gelijkstelling van de verhooren van

1) Men zie over art. 50 nog de opmerkingen in Verslag 1ste Kamer en het antwoord Minister, bl. 7 en bl. 8.

•) Over deze regeling M. v. T. bl. 109/110.