is toegevoegd aan uw favorieten.

Beknopte handleiding tot het Wetboek van strafvordering

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

186

structie (Tweede en Derde Titel oud). Het is echter niet als de vroegere gerechtelijke instructie aan eene beschikking van de raadkamer gehouden. De beschikking van rechtsingang is vervallen. In verband daarmeê behoudt de officier van justitie gedurende den geheelen gang van het vooronderzoek de beschikking over het al dan niet voortzetten der vervolging, art. 287, terwijl ook na de sluiting van het gerechtelijk vooronderzoek de beslissing over het al dan niet instellen der verdere vervolging in handen berust van het openbaar ministerie, art. 242. Ook de beschikking omtrent de verwijzing, artt. 127 oud, is als regel vervallen 1). Ter tegemoetkoming aan mogehjke bezwaren uit het wegvallen van den rechtsingang voortvloeiende is in de artt. 181 en 182 bepaald, dat in de vordering tot gerechtelijk vooronderzoek het te laste gelegde feit zoo nauwkeurig als in den stand der zaak mogelijk is, moet worden omschreven, vgl. ook art. 78 lid 2 omtrent de bevelen tot voorloopige hechtenis2), terwijl indien de officier van justitie na het gerechtelijk vooronderzoek besluit tot verdere vervolging, de verdachte tegen de kennisgeving daarvan — vgl. art. 244 en bij toepassing van preventieve hechtenis art. 245, — volgens art. 250 bij de rechtbank een bezwaarschrift kan indienen, als gevolg waarvan de beslissing omtrent de verdere vervolging naar de nadere bepalingen van het genoemde artikel bij de rechtbank berust. Als regel gaat het geheele vooronderzoek buiten de rechtbank om behalve voorzoover hare tusschenkomst noodig is voor het nemen van bijzondere maatregelen, voorloopige hechtenis, huiszoeking en andere reeds behandelde maatregelen, in het belang van het onderzoek toegelaten. De dagvaarding ter terechtzitting gaat uit vanwege den officier van justitie; het verschil in art. 141 oud gemaakt tusschen de rechtstreeksche dagvaarding en de dagvaarding ten gevolge van verwijzing komt in art. 258 niet meer voor.

De vraag, of er termen zijn tot het vorderen van een gerechtelijk vooronderzoek, is geheel aan den officier van justitie ter beslissing overgelaten, art. 149; zoodanig onderzoek is in geen geval verplichtend; de feitelijke verphchting in verband met de voor-

') M. v. T., bl. 22/23. Men zie verder over het vervallen der beschikkingen van rechtsingang en verwijzing Verslag bl. 17—23. ») M. v. T. bl. 71.