is toegevoegd aan uw favorieten.

Beknopte handleiding tot het Wetboek van strafvordering

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

148

wordt aangetroffen1), moet de exploitant het afschrift terstond ter hand stellen aan het hoofd van het plaatselijk bestuur of aan een door dezen aangewezen ambtenaar, die het oorspronkelijke voor gezien zal moeten teekenen en het afschrift zoo spoedig mogelijk aan den betrokkene zal doen toekomen, zonder dat daarvan in rechten zal behoeven te blijken.

Ook deze voorschriften moeten op straffe van nietigheid worden nageleefd. Het laatste lid van art. 587 geeft een voorschrift van dezelfde strekking als het straks vermelde laatste hd van art. 586.

In overeenstemming met de bepaling van art. 148 oud bepaalt art. 588 dat de bij de artt. 586 en 587 voorgeschreven nietigheid gedekt wordt door vrijwillige verschijning 2).

Het beginsel, dat het afschrift voor dengene, die het ontvangen -heeft, als het oorspronkelijke stuk geldt en dus de geldigheid van het exploot naar het afschrift moet worden beoordeeld 8), zal ook onder het nieuwe wetboek ongetwijfeld blijven gelden.

Hoofdstuk II. Het bewijsrecht. *)

§1. Algemeene beginselen.

De vraag langs welken weg en door welke middelen bij de berechting van een te laste gelegd strafbaar feit voor den rechter het bewijs moet worden geleverd, dat het feit is gepleegd en wel door hem, die daarvan wordt aangeklaagd, en wanneer dat bewijs als geleverd moet worden beschouwd, heeft steeds behoord en behoort nog tot de moeilijkste quaestiën, welke de wetenschap en de practijk van het strafproces ter oplossing

*) Vgl over de beteekenis van het woord „huisgenooten": H. R. 26 November 1906, W. 8462.

2) Vgl. Bekn. Handl., bl. 174, noot 1. ») Bekn. Handl., bl. 78 en noot. 1.

') In het nieuwe wetboek wordt het bewijs behandeld in Titel VI van het Tweede Boek (Derde Afdeeling) bij de regeling van het onderzoek in eersten aanleg ter terechtzitting van de rechtbank. Natuurlijk vinden de daar gestelde bepalingen ook toepassing bij de behandeling voor den politierechter, het kantongerecht en den Hoogen Raad in eersten aanleg, en bij de behandeling in hooger beroep. Ik meende daarom de vroegere plaats, door mij voor de behandeling van het bewijsrecht gekozen, te mogen behouden.