is toegevoegd aan uw favorieten.

Beknopte handleiding tot het Wetboek van strafvordering

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

152

waardeering geheel aan den rechter overgelaten1). Aanvankelijk was het de bedoeling voorschriften omtrent de bewijskracht niet op te nemen 2); bij de behandeling in de Tweede Kamer gaf de Minister aan op hem geoefenden aandrang toe; de reeds vermelde voorschriften van art. 341 lid 4 en van art. 842 hd 2 waren daarvan het gevolg *).

De in het nieuwe evenals in het oude wetboek gehuldigde bewijstheorie is de zoogenaamde „negatief wettelijke", reeds zoo straks met een enkel woord ontwikkeld. Het~grondbeginsel, waarop zij steunt, wordt omschreven in art. 888. Het bewijs, dat de verdachte het te laste gelegde feit heeft begaan kan door den rechter slechts worden aangenomen, indien hij daarvan uit het onderzoek op de terechtzitting door den inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging heeft "bekomen. In deze bepaling vinden wij de twee beginselen terug, waarop de genoemde bewijstheorie rust, en die aldus kunnen worden geformuleerd: 1°. geene veroordeeling, zoolang de rechter de overtuiging niet heeft verkregen, dat de beklaagde schuldig is aan het hem te laste gelegde feit, 2°. de rechterlijke overtuiging moet verkregen zijn op grond van het onderzoek op de terechtzitting door den inhoud van wettige bewijsmiddelen met machtneming van de verder door de wet gestelde regels *). Deze regels, zooals in het algemeen alle bepalingen omtrent het bewijs, gelden alleen bij het vaststellen van de schuld van den beklaagde aan het hem te laste gelegde, niet voor het aannemen of verwerpen van de strafbaarheid opheffende omstandigheden of van eene door den beklaagde gevoerde verdediging 5). De veroordeeling zelf moet steunen op den dubbelen grondslag van wettig en van overtuigend bewijs en naar het voorschrift der wet moet het laatste uit het eerste voortvloeien. Wettig en overtuigend bewijs staan niet onafhankelijk tegenoverelkander; de rechter magniet, na bet wettig bewijs te hebben geconstrueerd, geheel vrij, zonder op het aldus verworven resultaat

*) M. v. T., bl. 167.

») M. v. T., bl. 165/166.

•) Verslag bij artt. 334 en 335, bl. 121 en 122.

«) M. v. T., bl. 106/107.

5) Vgl. de rechtspraak vermeld bij Hulshoff, aant. 6 op art. 391 en van den lateren tijd o.a. H. R. 20 November 1911; W. 9239, 5 Mei 1913; W. 9505,17 Januari 1916; W. 9950 en 11 Februari 1918; W. 10240; voorts M. ▼. T., bl. 167.