is toegevoegd aan uw favorieten.

Beknopte handleiding tot het Wetboek van strafvordering

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

159

voor den rechter-commissaris of voor eenigen opsporingsambtenaar worden bewezen door het opgemaakte proces-verbaal en djt feit kan dan als bewijsgrond, als aanwijzing in aanmerking komen *). Niet de bekentenis is dan bewijsmiddel doch het verbaal, bewijzende het feit dat de verdachte eene bepaalde verklaring heeft afgelegd. Natuurlijk komt ook wel. de inhoud van die verklaring voor de bewijsvoering in aanmerking. Over de herroeping èener afgelegde verklaring wordt in het Wetboek niet meer gesproken, zooals in art. 405 oud over de herroeping eener gerechtehjke bekentenis. Het feit, dat de verklaring is afgelegd, blijft natuurlijk ondanks de herroeping vaststaan; of de rechter in verband met die herroeping aan dat feit nog bewijswaarde zal meenen te mogen toekennen, zal van de omstandigheden moeten afhangen en is aan zijn oordeel overgelaten. Eene in eersten aanleg afgelegde doch in hooger beroep herroepen bekentenis kan volgens art. 422 bij de door den rechter in hooger beroep te geven beslissing in aanmerking komen. Naar art. 404 oud was eene bloote bekentenis van schuld nimmer genoegzaam om een wettelijk bewijs daar te stellen, die bekentenis moest beantwoorden aan de bij art. 408 gestelde vereischten en bevestigd worden door eenig ander bewijsmiddel naar de bij dit artikel gestelde regelen. Dezelfde gedachte wordt uitgesproken in de bepaling van lid 4 van art. 841, volgens welke het bewijs, dat de verdachte het te laste gelegde feit heeft gepleegd, niet uitsluitend mag worden aangenomen op de opT gaven van den verdachte. Eenig ander bewijsmiddel ter versterking is noodig. De wetgever heeft, dit voorschrift opnemende, rekening gehouden met de ervaring der practijk, dat om verschillende redenen, pathologische en andere, soms bekentenissen worden afgelegd, die niet met de waarheid in overeenstemming zijn, doch aan de fantasie van den verklarenden verdachte zijn ontleend 2).

De verklaring van den verdachte kan alleen te zijnen aanzien gelden, art. 841 lid 3, en dus niet als bewijsmiddel gelden tegen

') M. v. T. bij art. 334, bl. 169. Vgl. lid 2 van art. 341 opgenomen volgens art. 62 der Inv. wet.

») Men zie over de waarde van de bekentenis als bewijsmiddel Lohsing, Das Gestandnis in Strafsachen, Juristisch-psychiatrische Grundfragen, Dritter Band, Heft 1/3 en Oesterreichisches Strafprozessrecht, bl. 364—367.