is toegevoegd aan uw favorieten.

Beknopte handleiding tot het Wetboek van strafvordering

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

211

ministerie zal wel eene plaats op het podium kunnen worden gegeven mits die plaats af gescheiden zij van de taf el der recht bankx).

§8. Het onderzoek ter terechtzitting.

Het onderzoek ter terechtzitting wordt naar de reeds vermelde bepaling van art. 274 geleid door den voorzitter. Deze vangt, volgens art. 278, aan met het doen uitroepen der zaak en vraagt daarna aan den verdachte of, zoo er meerdere zijn, aan ieder hun-^^^ ner naar naam, voornaam, ouderdom, geboorteplaats, woon- or^**-^£^T verblijfplaats en beroep en moet den verdachte vervolgens ver- , / t-Ja_ manen oplettend te zijn op hetgeen hij zal hooren *).

De belangrijke bepaling van art. 158 oud is met eenige wijziging overgenomen in art. 279. Nadat de ondervraging in art. 278 be- ^ doeld heeft plaats gehad, kan de verdachte of zijn raadsman, wanneer zij meenen dat de dagvaarding nietig is, de officier van justitie met-ontvankelijk of de rechter onbevoegd is, deze verwering onmiddellijk voordragen en toelichten. Nadat dan de officier van justitie en de verdachte of zijn raadsman daarover desverkiezende nader hebben gesproken en de verdachte gelegenheid heeft gehad het laatst het woord te voeren, zal de rechtbank onmiddellijk tot beraadslaging overgaan en uitspraak doen. Oordeelt zij de verwering ongegrond, dan wordt het onderzoek der zaak zelve onmiddellijk voortgezet en hetzelfde geschiedt ook wanneer zij, zonder over de juistheid der verwering te beslissen, oordeelt dat zij ontjjdig is gedaan, omdat zij afhankehjk is van het onderzoek van de hoofdzaak.

Maakt de verdachte van de hem bij art. 279 gegeven bevoegdheid geen gebruik, dan ontneemt hem dit niet het recht om de bij dit artikel genoemde verweringen met zijne verdediging ten principale te vereenigen. Volgens art. 158 oud was de rechtbank niet bevoegd ambtshalve eene beslissing te geven als bij het artikel bedoeld s);_thans wordt in art. 279 lid 6 deze bevoegdheid uitdrukkelijk gegeven, de rechtbank moet dan echter den officier

') Handelingen bl. 1977.

•) Volgens den H. R. (19 Januari 1911; W. 9201) had niet-nakoming van het overeenkomstige voorschrift van art. 152 oud niet nietigheid ten gevolge. ') Hof Amsterdam 25 Juli 1900, W. 7506.