is toegevoegd aan uw favorieten.

Beknopte handleiding tot het Wetboek van strafvordering

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

261

1921 in overeenstemming gebracht en met dat doel tal van bepalingen in gewijzigden vorm vastgesteld. De bepalingen, zooals zij dan nu in Titel VIII zijn opgenomen, zullen hierna worden besproken. Intusschen moet allereerst nog worden gewezen op eene belangrijke wijziging in art. 74 Swb. gebracht bij art. 8 van de wet van 1921, in overeenstemming met hetgeen daaromtrent reeds was aangegeven in de M. v. T. tot het nieuwe Wetboek Art. 74 Swb. liet toe afdoening buiten proces en daardoor voorkoming van de strafvervolging door betaling van het maximum der bedreigde geldboete, indien op de overtreding niet anders dan geldboete was gesteld; thans is bepaald dat bij overtredingen, waarvan de kantonrechter kennis neemt en waarop geldboete is ^wUu gesteld als eenige hoofdstraf, hetzij nevens hechtenis van ten $ hoogste veertien dagen, het recht tot strafvervolging zal vervallen door vrijwillige betaling, binnen een door den ambtenaar van het openbaar ministerie bepaalden termijn en op eene door hem te bepalen plaats, van eene bepaalde geldsom, al dan niet verbonden met uitlevering van aan verbeurdverklaring onderworpen voorwerpen, voldoening der geschatte waarde of afstand van reeds in beslag genomen voorwerpen. De te betalen geldsom bedraagt ten minste vijftig cents en ten hoogste het bedrag der op het feit gestelde boete 2). Door deze bepaling werd in veel meer gevallen dan door het oude art. 74 afdoening buiten proces mogehjk gemaakt en aldus meerdere vereenvoudiging verkregen.

De reeds genoemde Titel VIII, handelende over het rechtsgeding bij het kantongerecht, vangt in art. 882 aan met de bepaling van het aantal der terechtzittingen, dat door elk gerecht zal moeten worden gehouden, of liever die bepaling wordt overgelaten aan eene nadere regeling door den Minister van Justitie. Alleen het minimum-aantal wordt in de wet vastgesteld, drie in de week voor kantongerechten in gemeenten met 100.000 inwoners of meer, eenmaal in de week voor de verdere kantongerechten der eerste klasse, eenmaal in de veertien dagen voor de kantongerechten der tweede klasse *), eenmaal in de maand bij de overige

*) Bl. 188.

•) Vgl. Leerboek I, bl. 321/322.

s) De wet van 1921 vorderde voor de kantongerechten'der tweede klasse ook tenminste een zitting per week. Bij art. 71 der Inv. wet werd in art. 382 één zittingsdag in de veertien dagen voldoende verklaard. Verslag A. bl. 22.