is toegevoegd aan uw favorieten.

Beknopte handleiding tot het Wetboek van strafvordering

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

269

treedt niet meer de overlegging van eene volmacht gevorderd *); art. 270 laat bij de rechtbank alleen vertegenwoordiging door een advocaat toe.

Verschillende bepalingen hebben ten doel vereenvoudiging te brengen zoowel in de vóór het onderzoek ter terechtzitting te verrichten formaliteiten als in die, welke voor dat onderzoek zelf zijn voorgeschreven. Naar het derde nummer bhjven de bepalingen omtrent de beteekening en de voorlezing vandehjstender wederzijdsche getuigen, artt. 260, 263,280, het gerechtehjk vooronderzoek, art. 316 j1". artt. 185 vlgg., de voordracht der zaak door het openbaar ministerie, art. 280, de voorloopige hechtenis, artt. 68 vlgg. bepaaldelijk art. 64 hd 2 en het bezwaarschrift tegen de dagvaarding, art. 262, buiten toepassing. Ook in het geval van art. 298, verdenking van meineed van een getuige, wordt volgens no. 4 niet een gerechtehjk vooronderzoek gelast doch worden de stukken toegezonden aan den officier van justitie bij de rechtbank bevoegd tot kennisneming van het misdrijf. Eene zeer belangrijke bepaling is opgenomen in no. 5 van het artikel. Een groot bezwaar van de geldende regeling was, dat ook bij de verstekbehandeling rechtens aan alle formaliteiten omtrent de voorlezing van stukken moest worden voldaan, hetgeen dan, daar dit in werkelijkheid met geschiedde, ingeval van hooger beroep dwong tot een verbaal, waarbij als geschied werd vermeld, wat niet had plaats gevonden. Om daaraan tegemoet te komen, wordt nu bepaald, dat indien tegen den verdachte verstek is verleend, in de plaats van de voorlezing van de telastlegging, verklaringen, processen-verbaal, verslagen van deskundigen of andere stukken, vermeld in art. 297, zal kunnen treden eene op last van den kantonrechter gedane aanteekening in het proces-verbaal der terechtzitting van?de overleggingïïïeTsti^kkftTi. Bij de wet van Juli 1921 is die bepaling nog uitgebreid voor het geval van eene behandeling anders dan bij verstek tot de bepaaldehjk aangeduide stukken, waaromtrent door den verdachte en zijn raadsman, zoo hij dien heeft, wordt verklaard dat door hen noch de voorlezing noch de mededeeling van den korten inhoud ervan wordt gewenscbt. Bij art. 85 Invoeringswet is deze bepaling overgegaan in no. 5 van art. 398.

') M. v. T., bl. 102.