is toegevoegd aan uw favorieten.

Beknopte handleiding tot het Wetboek van strafvordering

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

816

sten aanleg gewezen, dan geschiedt, zooals reeds werd opgemerkt, de verwijzing naar den Hoogen Raad zelf. Bij vernietiging van de gewezen uitspraken is de daarbij veroordeelde die reeds zijne straf ondergaat, van rechtswege vrij. De Hooge Baad kan dan echter volgens art. 470 een bevel tot gevangenhouding tegen den veroordeelde uitvaardigen.

Acht de Hooge Baad de aanvrage niet gegrond, dan wijst hij haar bij met redenen omkleede beschikking af.

Uitvoeriger is de regeling, wanneer de aanvrage berust op eene ingeroepen nieuwe omstandigheid, dus bij toepassing van den algemeenen regel volgens art. 457, 2°. De behandeling zal geschieden op eene openbare terechtzitting op een daartoe door den voorzitter te bepalen dag, nadat de Hooge Baad zich zoo noodig door tusschenkomst van den procureur-generaal nadere berichten heeft doen overleggen, art. 462. De procureur-generaal doet tenminste tien dagen voor den dag der terechtzitting aan den veroordeelde aanzegging van dien dag, art. 468 lid 2. De behandeling ter terechtzitting vangt aan met een verslag door den raadsheer-rapporteur volgens art. 468 lid 1 door den voorzitter benoemd, in welk verslag een overzicht wordt gegeven van de feiten, die uit het geding en naar aanleiding van de aanvrage tot herziening zijn bekend geworden. Het vorige wetboek kende in dit geval zoodanig verslag niet. Na het uitbrengen van het verslag wordt het woord gevoerd door den procureur-generaal en door den raadsman van den veroordeelde. Van het recht van het laatste woord van den raadsman spreekt art. 464 niet. De Hooge Baad bepaalt daarna den dag van de uitspraak, die op eene openbare terechtzitting moet geschieden.

De dan te geven beslissing kan van vierderlei aard zijn. Allereerst kan de Hooge Baad de aanvrage niet-ontvankehjk verklaren, hetgeen zooals reeds werd opgemerkt, zal moeten geschieden, indien niet is. voldaan aan de straks besproken bepaling van art. 459 omtrent den inhoud der aanvrage. In de tweede plaats kan de Hooge Baad reeds dadehjk van oordeel zijn, dat voor de aangevoerde omstandigheid elk bewijs ontbreekt, althans dat dit bewijs door de aangegeven middelen niet kan worden geleverd, of dat die omstandigheid