is toegevoegd aan je favorieten.

Beknopte handleiding tot het Wetboek van strafvordering

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

828

tegen den overledene uitgesproken veroordeeling. Van eene onschuldigverklaring en dus van een eerherstel, zooals art. 879a" oud zegt, is geen sprake*).

Met uitzondering van leden van en ambtenaren bij den Hoogen Eaad mag volgens art. 480 een rechterlijk ambtenaar, die op eenigerlei wijze deel heeft genomen aan het onderzoek of de berechting der zaak, waarvan herziening wordt gevraagd, niet aan het onderzoek of de berechting in herziening deelnemen. Vgl. art. 879e oud.

Wij hebben gezien dat bij de preventieve hechtenis toekenning van vergoeding is toegelaten, als zij blijkt ten onrechte te zijn toegepast, artt. 89—98 (hierboven bl. 181—184). Art. 481 regelt de toekenning eener vergoeding, indien na de vernietiging van het gewijsde straf of maatregel niet wordt opgelegd. Aan den gewezen veroordeelde of aan diens erfgenamen kan dan eene geldelijke tegemoetkoming worden toegekend. Ook hier wordt dus niet aan eene volledige vergoeding gedacht. Intusschen is de toekenning daarvan niet afhankelijk gesteld van het oordeel over hare billijkheid. Aangenomen wordt, dat de billijkheid in dit geval steeds vergoeding vordert; slechts hare hoegrootheid, — „voor zoover daartoe" — wordt afhankelijk gesteld van de* naar het oordeel van den rechter aanwezige gronden van billijkheid 2). Overigens wordt verwezen naar de boven vermelde bepalingen van de artt. 89—98. De tegemoetkoming wordt gegeven ter zake van de ondergane straf en voorloopige hechtenis, niet voor eventueel ondergane dwangopvoeding, of voor dwangverpleging in een krankzinnigengesticht krachtens art 87 lid 2 Swb.

Hoofdstuk VI. Bijzondebe rechtsplegingen.

§1. Het geding in rijksbelastingzaken.

Het oude wetboek kende verschülende verspreide voorschriften op het geding in rijksbelastingzaken betrekkelijk, zie art; 141, 2°, art. 201, art. 261. In het nieuwe wetboek zijn die bepa-

') M. v. t. bij art. 451 blz. 221. ') M. v. t. bij art. 456 bl. 221.