is toegevoegd aan uw favorieten.

Beknopte handleiding tot het Wetboek van strafvordering

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

824

lingen vereenigd in Titel VI van het Vierde Boek „Strafvordering in rijksbelastingzaken". Daarbij wordt in art. 528 vooropgesteld, dat voor die strafvordering de algemeene voorschriften gelden, voor zoover daarvan niet bij dezen titel is afgeweken of in bijzondere wetten anders is bepaald. Het volgens die wetten geldende bijzondere rijksfiscaal procesrecht wordt dus uitdrukkelijk gehandhaafd 1). In art. 528 zelf wordt reeds eene uitzondering gemaakt voor het gerechtelijk vooronderzoek en het bezwaarschrift tegen de dagvaarding, waaromtrent dus de bepalingen voor het strafgeding in rijksbelastingzaken niet gelden. Intusschen regelt art. 529 toch de instelling van een gerechtelijk vooronderzoek, indien het bestuur der belastingen dit in het belang der vervolging noodzakelijk acht. Het kan dan op de wijze als dit in art. 144 is geregeld voor het geding bij het kantongerecht den officier van justitie verzoeken, dat deze het instellen van een gerechtelijk vooronderzoek zal vorderen. Enkele bepalingen, die van art. 195, art. 201 eerste lid en art. 206, die bij het vooronderzoek in een kantongerechtszaak niet van toepassing zijn, worden hier weer wel van toepassing verklaard. Indien het onderzoek is afgeloopen, d. w. z. de sluiting van het onderzoek onherroepelijk is geworden volgens de bepalingen van de artt. 287 vlgg., doet de officier van justitie de stukken toekomen aan het bestuur der belastingen. Het uitbrengen van de dagvaarding gaat uit van den met de vervolging belasten ambtenaar. De vervolging wordt soms opgedragen aan de administratie, dan weer aan den Minister van Finantiën. In hun naam treedt op de rijksadvocaat, volgens het K. B. van 14 April 1846. Wat betreft de vervolging tot bepaalde straffen, welke krachtens bijzondere wetten aan het bestuur der belastingen is opgedragen en niet aan het openbaar ministerie is voorbehouden — vgl. omtrent de verdeeling der taak tusschen O. M. en administratie bij de in te stellen strafvervolging art. 247 lid 4 der wet van 26 Augustus 1822 Stb. 38 en voorts in anderen zin de latere wetten op de personeele belasting, de inkomstenbelasting 1914, de vermogensbelasting 1916 en de wet op de dividend- en tantièmebelasting 1917,

*) M. v. T. bl. 235. Vgl. over het fiscale strafproces: J. F. van Nieuwkuijk, Het fiscale strafrecht en de fiscale strafactie en mr. Nijpels, Het rijksfiscaal strafprocesrecht.