is toegevoegd aan uw favorieten.

De Nederlandsche litteratuur na 1880

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

II.

HET KARAKTER DER NIEUWE-GIDS-BEWEGING. HET WERK VAN ARY PRINS ALS VOORBEELD VAN DE KUNST DER TACHTIGERS.

Schoonheidsverlangen, dorst naar het genieten, en doén genieten, van die edelste der ontroeringen, dat heb ik genoemd het voornaamste kenmerk van de nederlandsche litteratuur, die wij — ditmaal eens niet ten onrechte — gewoon zijn met den naam van het tijdschrift De Nieuwe Gids aan te duiden. Als ik in dit boekje — dus litterair-historisch — spreek van „De Nieuwe Gids" — men moet het wél verstaan — dan denk ik daarbij niet aan het tijdschrift van dien naam, dat tegenwoordig, evenals zoovele andere, in zijn afleveringen een min of meer fraaie en belangwekkende verzameling gedichten en prozastukken van jongere en oudere tijdgenooten aanbiedt, maar dan bedoel ik het s t r ij d-schrift der jonge litteratoren van 1885 tot 1894, de eerste negen jaargangen. Dat was De Nieuwe Gids, door Kloos gesTSSit, door Kloos bezield en

aangevoerd, zou men het willen noemen. (Ook in de redactie van het tegenwoordige tijdschrift is Kloos nog altijd de leidende geest, maar het hoeft niet meer te strijden; het is „oud en wijs," en toegeeflijk geworden). Het was in dfe negen jaargangen, dat de eerste onstuimige nieuwe lyriek verscheen, van Kloos zeil en van Van Deyssel, de meer beredeneerde van Verwey en Van Eeden, de natuurpoëzie, conventieloos en spontaan, vol treffende beelden, diepe symbolen, van Herman Gorter, de „grieksch-heidensche" sonnetten van Hein Boeken, daarin dat de verzen van Jacques Perk en Hélène Swarth voor het eerst op hun thans wel algemeen erkende hooge waarde werden geschat. Ook het meer naar het epische gaande proza van Frans Netscher en Ary Prins, weldra ook van Jac. van Looy, Frans Erens, Jan Hofker (ps. Delang) en Arnold Aletrino