is toegevoegd aan uw favorieten.

De Nederlandsche litteratuur na 1880

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

O DE ZEVEN LEIDENDE FIGUREN DER BEWEGING VAN '80.

35

(geb. 1864) wel. Hij is een volbloed Nieuwe Gidser geweest, hij is het betrekkelijk nog, romanticus en individualist, ondanks zijn groot en hartstochtelijk soaSdisiiscK streven. Kijn Mei, na Vondel m. i. het schoonste gedicht van slangen adem, dat de nederlandsche litteratuur heeft voortIgebracht, is vol romantiek in iedere denkbare beteekenis, 'enl door zijn uitdrukkingswijze vooral, zoo individueel als mén maar zijn kan. Maar tevens heeft dit gedicht iets wat 'de; ongeveer gelijktijdig in Nederland verschenen litteraire ; producten alle missen, iets symboHsch-wijsgeerigs; een fstreven naar levensverklaring is erin op te merken; Mei, ^de actieve natuur, de eeuwigdurende actie van het leven >-zelf, wordt bekoord door het zoet gezang van Balder, de ideale contemplatie, het passieve, beweeglooze, naar binnen gekeerde bestaan. Zij zoekt hem overal, zij vindt hem «ook ten slotte. Doch Balder kan wel even mét haar zijn, 'haar niét huwen. Een zuiver contemplatief, in schoonheid verdiept leven is onmogelijk, wij allen worden gedwongen tot handelen, en in die nimmer eindende actie, dat zoodoende ook voortdurend veranderen, is naast veel weemoed \ toch ook zooveel schoons. Ziedaar m. i. de idee van M e i Een wijsgeerige idee. Gorter nadert, van alle hollandsche poëten, den grooten Shelley het dichtst; ook in hem heeft altijd, naast den rijken, krachtigen, zinnelijken natuurI dichter, de filosoof geleefd; wijsgeerig denken, misschien in even sterke mate als liefde tot de schoone natuur, waarvan de mensch een deel is, heeft hem tot het socialisme gebracht. Maar een socialistisch dichter — wanneer men zóó zou mogen noemen een, die de ontroering der duizenden naar .broederschap verlangenden monumentalen vorm geven zou — zulk een socialistisch dichter is hij zeker niet. Ook in zijn Klein Heldendicht, ook in zijn Pan, is al: door een krachtige dichterspersoonlijkheid aan het woord, zijn visies zijn de eigene, de zéér persoonlijk-eigene, en op hoogst I „origineele", d. i. individueele wijze geuit. Alle poëzie is I verfijnde, vergeestelijkte zinnelijkheid, een onzinnelijke dich-