is toegevoegd aan uw favorieten.

De Nederlandsche litteratuur na 1880

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

□ ROMANCIERS, NOVELLISTEN EN HUN TOONEELWERK.

69

volgende periode behoort, zal ik, ook op haar in later jaren alléén-geschreven meesterwerken (Sprotje, In den Vrijen Amerikaan) verderop terugkomen 1).

VI.

DE DICHTERS, NA DE NIEUWE-GIDS-PERIODE EN TOT IN DE EERSTE JAREN DER TWINTIGSTE EEUW.

Tot nog toe dus, d.w.z. tot in de met benieuwdheid verbeide éérste jaren der 20e eeuw, viel, althans wat prozark*unst' Betreft, van reactie op „tachtig" niet veel te bespeuren. Reactie beteekënt"' ontkenning der juistheid van zekere grondbeginselen. Wgl mocht krachtige ontwikkeling worden opgemerkt. Niet langer beperkten zich de schrijvers tot het korte — en dan vaak ook fragmentarische — prozastuk, in een hevig élan, een gloeiende inspiratie, een sterke stemming geboren; de lust tot het geïnspireerd ontwerpen en vervolgens in rSBïfgen arbeid tot stand brengen van groote geheelen was teruggekomen. Daarmede gepaard ging een verzwakking van hetgeen men wel eens, met sarcastische bedoelingen, de woord-kunst (let op het streepje) der tachtigers heeft genoemd, hun overdadige^

') Hier het liefst, in aansluiting op het werk van De Meester, Coenen, Margo Antink, vermeld ik, volledigheidshalve het werk van Herman Robbers (geb. 1868). Zijn eerste bundel: Een Kalverliefde, De Verloren Zoon en De Vreemde Plant verscheen in 1895, De Re»man van Bernard Bandt in 1898, De Bruidstijd van Annie de Boogh in 1900. Top Naeff heeft eens, in een vriendschappelijk stukje tot inleiding eener lezing, gesproken van „na 't vorstelijk gebaar van '80: de eerste mensch". Ik hoop in de voorafgaande hoofdstukjes te hebben aangetoond, hoezeer H. R., ook wat dat „mensch zijn" betreft, zijn voorgangers had. Doch zeker is menschelijkheid ten allen tijde, en vóór alles, zijn leus geweest. Een ruim, bloed-warm, volledig mensch te zijn, zelfs vóór alle kunstenaarschap heeft hij het nagestreefd.