is toegevoegd aan uw favorieten.

De Nederlandsche litteratuur na 1880

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

82

DE DICHTERS, ENZ.

zoo bleek ook Annie Salomons, toch een echte dichteres, rijker aan hartstocht en gloed van gevoel wellicht dan de drie vóór haar genoemden, aan lyrische kracht te kort te schieten om — als een tweede Hélène Swarth — verzenbundel aan bundel te kunnen rijgen; ook zij maakte met haar proza — en met dat wat zij onder pseudoniem Ada Gerlo uitgaf — méér dan met haar verzen, naam en faam. Terecht? Wie weet? Laten wij het antwoord op zulke vragen maar aan de toekomst overlaten.

Boven alles door zijn dichtwerk beroemd werd daarentegen C. S. Adama van Scheltema (1877—1924), die in 1900 met Een Weg van Verzen zeer gelukkig en succesvol debuteerde en, sindsdien, het eene populaire bundeltje na het andere uitgaf (Uit den Dool, 1901; Van Zon en Zomer, 1902; Zwerversverzen, 1904; Eenzame Liedjes, 1906; Uit Stilte en Strijd, 1909; Zingende Stemmen, 1916; De Keerende Kudde, 1920). In zijn verskunst eenvoudig, onopgesmukt, trachtend zelfs naar zekere „Volkstünüichkeit", intusschen door zijn levendige geestigheid en distinctie van banaliteit gered, trad hij in proza op met een dik boek vol grauwe theorie: De Grondslagen eener nieuwe poëzie (1908), waarin hij heftig en ietwat rumoerig, maar oppervlakkig en eigendunkelijk tevens, te velde brok zoowel tegen de tachtigers en hun individualisme als tegen Gorter en Henriette Roland Holst, destijds zijn pohtieke-partijgenooten, doch wier zg. socialistische poëzie hem veel te duister, te gekunsteld en te persoonlijk was. Er schijnen inderdaad twee Adama van Scheltema's bestaan te hebben, de ééne een sympathiek, door-en-door-hollandsch, zangerig, bhjmoedig en gevoelig dichter, die, nog niet zoozeer in den vorm als wel in den ganschen geest van zijn gedichten, een nieuwen weg dorst op te gaan, de andere een, niet minder onvervalschtnationaal, schoolmeesterachtig en betweterig redeneerder, een beetje een mopperaar zelfs, en die zichzelven geweldig_