is toegevoegd aan uw favorieten.

De Nederlandsche litteratuur na 1880

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

□ HET PROZA TOT AAN HET EERSTE OORLOGSJAAR.

97

nuancen ook dit, en niet voor Jan en alleman. Neen, deze Jan en zijn vriend, ze vinden hun behagen heel wat meer in het tooneelwerk van den gullen Jan Fabricius (geb. 1871), in vele opzichten een tegenvoeter van Mijnssen. Wie léést Fabricius ooit ? Maar men gaat dat zien, het is echt „tooneel" en, mits goed gespeeld, mist het zelden zijn indrukken. Echter, ik ben haast zeker, zou men het wèl lezen, menige bladzijde zou blijken litteraire kwaliteiten te bezitten. Ook Fabricius is niet de eerste de beste....

Doch wenden wij thans onze aandacht weer naar de zuiVerverhalende litteratuur en wel het eerst naar een paar, ook al niet meer zeer jonge auteurs, die tot nog toe altijd op het tweede plan bleven, maar zich daar dan ook wisten té jhandhaven en te doen respecteeren; ik spreek van Maurits üËsser (ps. Gerard van Eckeren; geb. 1876) — een zoon van dien eveneens steeds en door ieder gerespecteerden J. Esser Jr., die gedichten uitgaf onder het pseud. Soera Rana, novellen als C. Terburch — en van j. Everts Jr. (geb. 1878), van wien men, nu al sinds jaren, niets meer hoort; is zijn muze hem ontrouw geworden?.... Esser gaf degèhjke, met grooten ernst vervaardigde, maar niet juist door oorspronkelijkheid treffende romans, waarvan Ida Westerman ('08) mij nog altijd verreweg de beste, n.1. innigste en levendigste lijkt. Everts deed door zijn frissche Eerste Werk (1901) iets zeer goeds van zich verwachten — maar vervulde deze verwachtingen met zijn Catastrophen ('05) en jtijn Uit het Leven van een Hypochonder ('07) toch eigenlijk maar zeer ten deele.... I Een prozaïst daarentegen, die zonder twijfel op het éérste fean thuis hoort, en van wien vernieuwing uitging — Dirk Coster verwelkomde hem zelfs, zij het wat laat, als een soort verlosser uit die zinnelijke, en van alle „idee" gespeende ikunst der tachtigers! — is Arthur van Schendel (geb. '74). Groote oorspronkehjkheid, zoo in gedachte als in voordracht, kan men dézen stellig niet ontzeggen, en van zekere reactie op '80 lijkt in zijn geval ook wel degelijk sprake — ook al

VIII. De Nederl. Litteratuur na '80. 7